Textielbazen niet langer onaantastbaar

24 december 2013 (Trouw) –  Gewoonlijk houden Bengaalse autoriteiten fabriekseigenaren de hand boven het hoofd. Maar het tij lijkt te keren. Twee eigenaren van de Tazreen kledingfabriek in Bangladesh zijn aangeklaagd wegens dood door schuld. Bij een brand in hun fabriek, vorig jaar november, kwamen 112 arbeiders om het leven. Het is voor het eerst dat eigenaren van een kledingfabriek worden vervolgd.

De aangeklaagden zijn Delwar Hossain en zijn vrouw, die samen de fabriek in een buitenwijk van Dhaka runden. Hier lieten ondermeer C&A en Walmart kleding maken.

De fabriek, Tazreen Fashions, had geen brandveiligheidvergunning, geen nooduitgangen en was ver weg van de straat gebouwd waardoor de brandweer er niet goed bij kon. De begane grond werd illegaal gebruikt voor opslag van ontvlambare stoffen.

“Managers en bewakers hebben de arbeiders misleid toen ze bij het uitbreken van de brand vertelden dat het een brandoefening betrof”, aldus officier van justitie Anwarul Kabir Babul. “Arbeiders gingen na het brandalarm weer aan het werk en werden vervolgens ingesloten doordat de managers de metalen poorten op slot deden.” Waarom dat gebeurde is nog onduidelijk.

Eigenaar Hossain verklaarde na de brand meteen dat hij onschuldig was. Hij schoof de schuld in de schoenen van de managers en dacht ermee weg te komen. Zo werkte het tot dusver ook in Bangladesh. “Er heerst een cultuur van straffeloosheid onder de klasse van fabriekseigenaren”, aldus de Bengaalse universitair onderzoeker en activist Saydia Gulrukh. “Er zijn tussen 1990 en 2012 meer dan duizend mensen omgekomen in fabrieksrampen, maar er is nog nooit een fabriekeigenaar vervolgd, noch bestraft.”

De kledingindustrie is goed voor 80 procent van de export van Bangladesh. Fabriekseigenaren zijn erg machtig: ze bezetten het merendeel van de parlementszetels en hebben nauwe banden met politie en rechters. Maar door de rampen bij Tazreen en Rana Plaza – bij die laatste vielen 1100 doden – lijkt er iets te zijn veranderd. De kledingindustrie kreeg internationaal zo veel kritiek dat rechters tot inkeer kwamen, mogelijk onder zware politieke druk.

Hossains zaak leek aanvankelijk te verdwijnen in een zwart gat van corruptie en manipulatie. De politie raakte belangrijke papieren kwijt en een ministerieel onderzoek waaruit bleek dat Hossain vervolgd moest worden, verdween in een la. Pas toen een groepje wetenschappers, waaronder Gulrukh, een petitie bij een gerechtshof indiende, werd tóch besloten tot vervolging.

Niet alleen Hossain en zijn vrouw, maar ook fabrieksmanagers, bewakers en een ingenieur moeten nu voor de rechter verschijnen. Als ze veroordeeld worden, kunnen ze straffen krijgen van zeven jaar tot levenslang, schrijven de Bengaalse kranten. Hossain zegt ‘onthutst’ te zijn over de aanklacht. Of hij daadwerkelijk wordt veroordeeld, is nog maar de vraag. “De verklaring van het hof is erg vaag”, aldus Gulrukh. “Er zitten veel gaten in het verhaal. Er wordt bijvoorbeeld vooral ingezet op het opsluiten van de arbeiders tijdens de brand. De eigenaars waren op het moment van de brand niet aanwezig. Het zou dus kunnen dat ze er toch mee wegkomen.”

Hossains zaak leek aanvankelijk te verdwijnen in een zwart gat van corruptie en manipulatie. De politie raakte belangrijke papieren kwijt en een ministerieel onderzoek waaruit bleek dat Hossain vervolgd moest worden, verdween in een la. Pas toen een groepje wetenschappers, waaronder Gulrukh, een petitie bij een gerechtshof indiende, werd tóch besloten tot vervolging.

Niet alleen Hossain en zijn vrouw, maar ook fabrieksmanagers, bewakers en een ingenieur moeten nu voor de rechter verschijnen. Als ze veroordeeld worden, kunnen ze straffen krijgen van zeven jaar tot levenslang, schrijven de Bengaalse kranten. Hossain zegt ‘onthutst’ te zijn over de aanklacht. Of hij daadwerkelijk wordt veroordeeld, is nog maar de vraag. “De verklaring van het hof is erg vaag”, aldus Gulrukh. “Er zitten veel gaten in het verhaal. Er wordt bijvoorbeeld vooral ingezet op het opsluiten van de arbeiders tijdens de brand. De eigenaars waren op het moment van de brand niet aanwezig. Het zou dus kunnen dat ze er toch mee wegkomen.”

Advertenties

‘Ze knijpen ons uit als een nat t-shirt’

15 november 2013 (Trouw) – Het is de keerzijde van de internationalisering van de wereldhandel: in Bangladesh werken mensen voor een paar tientjes per maand onder erbarmelijke omstandigheden. Hoe kledingbedrijven, inkopers en importeurs precies werken in Bangladesh, blijft vaak schimmig. Trouw vond twee betrokkenen bereid hun verhaal te doen.

Ibadad van Rijckevorsel (48) komt uit Bangladesh en werd als kind geadopteerd door een Nederlands echtpaar. Hij werkt sinds 2006 als onafhankelijk inkoper in zijn geboorteland. “Ik ben de tussenpersoon tussen kledingbedrijven in Nederland en fabrieken in Bangladesh. Bedrijven benaderen mij om hun productie in Bangladesh te begeleiden. Ik zoek voor hen een fabriek uit, onderhandel over de prijs en bestel de kleding. Tijdens de productie houd ik de fabriek in de gaten.”

U werkte vroeger voor prijsvechters. Wat zag u bij de fabrieken die u toen bezocht?

“Ik ben bijvoorbeeld bij Tazreen geweest, de fabriek die in 2012 afbrandde. Ik heb daar geen orders geplaatst, omdat van de eigenaar bekend was dat hij zijn mensen sloeg. De kledingbedrijven die in deze fabriek orders plaatsten (onder meer C&A, red.), moeten geweten hebben dat het daar niet deugde. En het door de vingers hebben gezien.

Waar zit volgens u het probleem?

“Er zijn slechte fabrieken en slechte eigenaars, maar een heel groot deel van het probleem ligt bij kledingbedrijven in Amerika en Europa. Zij willen zo goedkoop mogelijk inkopen en zetten inkopers en fabrieken onder druk. Door een onredelijke prijs te eisen.

“Kijk, voor een T-shirt moet veel gedaan worden. Garen spinnen, verven, breien, naaien, accessoires erbij et cetera. Kledingbedrijven kennen die kosten en berekenen dat het voor een fabriek bijvoorbeeld minimaal 1,50 euro kost om een kledingstuk te maken. Vervolgens proberen ze het voor 1,30 euro in te kopen. Als je zo’n prijs eist, weet je dat er ergens iets illegaals moet gebeuren. Haal je die twintig cent eraf, dan krijgt iemand ergens te weinig loon, zijn er slechte werkomstandigheden of zijn er kinderen aan het werk.”

Spreekt u uit ervaring?

“Ja, een Nederlands bedrijf – ik kan de naam niet noemen – wilde kleding onder de kostprijs bestellen, maar stelde wel de eis dat die in een fabriek gemaakt werd die allerlei veiligheidscertificaten had. Dat kan niet voor die prijs, zei ik. Ik heb ze verteld dat als zij dit toch willen, ze illegale activiteiten in de hand werken. Toen ben ik dat bedrijf als klant kwijtgeraakt en heb besloten niet meer met dat soort prijsvechters te werken.”

Kledingmerken zeggen dat fabrieken orders doorverkopen zonder hun medeweten.

“Misschien zonder het medeweten van het management in Nederland, maar iemand anders in het bedrijf weet het wel. Kijk, als jij als kledingbedrijf ergens een order plaatst, wil je bij die fabriek de orderportefeuille inzien. Dan weet je dat die fabriek al voor 200 of 300 procent opdrachten heeft aangenomen. Je weet dus dat hij orders doorverkoopt en dat jij fout zit. Iedereen hier in Bangladesh weet dat. Maar als zo’n onderaannemerfabriek instort, kan het Europese bedrijf zijn handen in onschuld wassen.”

Maken alle bedrijven die in Bangladesh produceren zich schuldig aan dit soort praktijken?

“Nee, zeker niet. De prijsvechters, de textielsupers zijn het ergste, maar ook zij maken zich er niet allemaal schuldig aan. Als jij in de winkel iets voor een paar euro koopt, moet je gaan nadenken. Middenmerken zoals H&M, C&A, Zara doen het al een stuk beter. Maar je kunt het nooit weten. Ook dure merken hadden orders lopen in Tazreen en Rana Plaza, de fabriek die afgelopen voorjaar instortte.”

Bijna alle kledingbedrijven claimen dat ze maatschappelijk verantwoord bezig zijn.

“Dat zijn ze alleen als ze de kostprijs betalen. Die claims zijn vaak niets waard. Bij de meeste bedrijven vallen inkopers helemaal niet onder het beleid voor maatschappelijk verantwoord ondernemen. Dat zou ook tegen hun beloningssysteem ingaan. Inkopers krijgen meestal een prestatiebonus als ze geld van de prijs af weten te krijgen.”

Yahia Khan (63) was eigenaar van een kledingfabriek. In 2005 ging hij met pensioen en daarom kan hij vrijuit praten over de problemen in de sector. “Die zijn er veel. Als iets misgaat zoals bij Rana Plaza is iedereen verantwoordelijk: kledingbedrijven, consumenten in het Westen, fabriekseigenaren hier. Maar het eerste wat je moet beseffen is dat de kledingindustrie een zegen voor het land is. Je moet je voorstellen: de naaister van nu werkte vroeger als huisslaaf. ’s Avonds verdiende ze wat bij in de prostitutie. Sinds ze een echte baan heeft, is haar leven volledig veranderd. Ik heb het zelf vaak genoeg gezien. Vanaf het eerste salaris is zo’n meisje niet langer het bange schepsel dat ze eerst was. Met alle gevolgen van dien: binnen een mum van tijd is de helft van hen gescheiden van hun echtgenoot. Ze willen ineens zelf kiezen met welke man ze zijn.

“Deze nieuwe onafhankelijkheid van arbeiders heeft een sneeuwbal van economische vooruitgang in gang gezet. De vrouwen zijn blij met hun geld en kopen nieuwe jurken. Dat is goed voor de winkels. De lokale industrie ontplooit zich, met andere woorden: iedereen is gelukkig. Zelfs de dieven.”

Totdat er een fabriek instort.

“Industrialisatie komt nu eenmaal met horten en stoten op gang. Bangladesh was dertig jaar geleden een volledig agrarische samenleving. Dat betekent dat de eerste fabriekseigenaren, zoals ik dus, helemaal niet wisten hoe handel werkte. We wilden gewoon winst maken.

“En dus niet mensen uitbuiten. Dat idee krijg je wel eens als je de kranten leest. Ik kan je vertellen: de meeste Bengaalse fabriekseigenaren zijn gewone ondernemers en begonnen met hun eigen geld. Ze dragen zelf de risico’s. Iedereen wil productie draaien en geld verdienen, maar je bent ook maar een radertje in de machine van de keten.”

Dus eigenaren zijn de echte slachtoffers?

“Nee, dat zijn de arbeiders. Maar ik probeer ook onze kant van het verhaal te laten zien. Het is heus niet zo dat fabriekseigenaren geen loon willen uitbetalen of een gebouw niet willen opknappen. Vaak kunnen ze dat gewoon niet. Bijvoorbeeld als ze een order hebben gekregen en worden opgehouden door een demonstratie, elektriciteitsuitval, enorme files of arbeiders die niet komen opdagen. Dan komt de vracht niet op tijd binnen en krijgt de eigenaar geen geld. Op zo’n moment kan hij zijn mensen eenvoudig niet betalen. Dit soort overmacht komt vaak voor in een land als dit.

“Het grootste probleem is de bureaucratie. Een net woord voor de corruptie. In dit land wordt alles daardoor opgehouden, je moet altijd weer onverwacht ergens bijbetalen: in de haven, voor vergunningen, aan corrupte ambtenaren.

“Daarnaast worden fabriekseigenaren onder druk gezet door kledingbedrijven. Inkopers zijn de sluwste mensen die er bestaan. Zij knijpen fabriekseigenaren uit als een nat T-shirt. ‘De markt is heel slecht, haal vijf procent van je prijs af’, zeggen ze dan. Als fabriekseigenaar wil je die order graag, want je moet je mensen betalen. Dus ga je akkoord.”

Het minimumloon in Bangladesh is 28 euro per maand. Arbeiders willen meer. Wat vindt u?

“Dat is zeker een goed plan. Ook omdat de hele economie ervan zal profiteren. Maar vanuit de fabriekseigenaren kan ik ook zeggen dat ze dat alleen kunnen betalen als de inkopers de prijzen omhoog schroeven. Kledingbedrijven zullen dit bedrag extra moeten betalen op de bestellingen.

“Of fabriekseigenaren niet uit eigen zak hogere lonen kunnen betalen? Goed punt. Veel eigenaren kopen huizen in het buitenland. Maar ze zijn niet allemaal zo rijk. Je moet bovendien ook kijken naar waarom ze hun geld wegsluizen: omdat ze bang zijn dat iemand het hier van ze zal afpakken. Heel onhandig. Daardoor gaat iedereen ze automatisch als criminelen zien. Toch begrijp ik ze wel. De overheidsregels zijn zo vaag dat ze je altijd in de tang hebben als ze je willen aanpakken.

“Fabriekseigenaren moeten inzien dat ze hun geld beter kunnen investeren in de lange termijn. Maar ze zullen niet veranderen totdat het systeem verbetert en ze niet meer bang hoeven te zijn dat de overheid hun geld afpakt. Tot die tijd denken ze, zoals iedereen in een corrupte samenleving, alleen aan zichzelf.”

‘Beter af dan rijstplukkers’

28 oktober 2013 (Trouw) – Sinds de ramp een half jaar geleden in de Rana Plaza-fabriek in Dhaka wordt vol medelijden over de arbeiders in de Bengaalse kledingindustrie gesproken. Deze hoofdzakelijk laagopgeleide vrouwen werken lange dagen in vaak onveilige fabrieken en krijgen daar weinig voor betaald. Het minimumloon voor een 48-urige werkweek is 28 euro. Uitbuiting, zeggen internationale hulporganisaties. Maar de naaisters zelf denken daar vaak anders over.

Voor de 17-jarige Shapna bijvoorbeeld kan haar baan niet stuk. Ze werkt nu zeven maanden als naaister in kledingfabriek Uri Garments in Dhaka. Een hele verbetering met haar leven in Dinajpur, in het noorden van Bangladesh. “In mijn dorp moest ik mijn moeder met het huishouden helpen. Hier ben ik onafhankelijk. Ik kan zelfs mijn eigen kleding kopen. Nazmul praat mee over de prijs, maar de kleur kies ik.”

Nazmul (18) is haar man. De twee zitten op een bed in de hut van groene golfplaten die ze samen huren. Hij werkt in een andere kledingfabriek, waar hij losse draadjes van kleding afknipt.

Als hen gevraagd wordt hun inkomsten en uitgaven op een rij te zetten, blijkt dat ze niet echt inzicht hebben in hun financiële situatie. Samen verdienen ze 9000 Bengaalse taka, 90 euro per maand. Dit krijgen ze contant uitbetaald in de fabriek.

Nazmul bepaalt hoe het inkomen wordt uitgegeven. Hij beheert het geld en koopt iedere dag de groenten bij de kraampjes in de straat. Als er aan het einde van de maand geld over is, sturen ze wat naar zijn familie. Als er te weinig is – of als de baas niet uitbetaalt – lenen ze geld van neven in de stad. “Maar liever niet”, vertelt Shapna. “Het duurt meestal maanden voordat we het terug kunnen betalen, daar word ik altijd erg somber van.”

Bij ‘grote uitgaven’ zoals kleding wordt er eerst overlegd. “Omdat het een huwelijk uit liefde is”, flapt Shapna eruit. Haar echtgenoot kijkt verlegen naar de deur. “Dat is ook de reden dat we nu in Dhaka wonen. Onze vaders – dat zijn broers – waren tegen onze relatie. Dus zijn we stiekem getrouwd en gevlucht.”

In de discussie over lonen in Bangladesh geldt een minimumloon van 28 euro als te laag om een menswaardig bestaan van te leiden. Shapna nuanceert dat. “We verdienen meer dan rijstplukkers. Mijn vader werkt bij een boer en moet het hele gezin van 2 euro per dag onderhouden. Mijn moeder doet de kippen en de groentetuin. Hun huis is van tin met een vloer van aangestampte modder.” Ze wijst naar de vloer van haar hut: daar ligt plastic vloerbedekking.

Natuurlijk willen ze meer geld dan nu. Zoals alle arbeiders hier stappen Shapna en haar man direct over naar een andere fabriek als die meer betaalt. Dat is net zoiets als onderhandelen op de markt, legt ze uit: “Je moet altijd proberen iets meer te krijgen.”

Ze komen net rond. Het woord verzekering kennen ze niet. Noch het woord bankrekening. En medische kosten? “Nog nooit gehad. Vroeger als we ziek waren, hielpen de buren ons”, aldus Shapna.

Werkpapieren hebben ze wel, vertelt Nazmul trots. De vakbond is in de fabriek langsgeweest en had ze aangeraden een mapje bij te houden. Hij laat een geplastificeerd mapje zien.

“Insjallah”, zegt Shapna. “Over dat soort dingen maak ik me niet druk, we moeten gewoon blijven werken dan komt het wel goed. Mijn enige zorg is dat ik kinderen krijg. Dan kan ik niet meer werken en moet ik terug naar het dorp. Nazmul zal me geld sturen. Dat zal wel moeilijk zijn omdat ik hier vrijer ben geworden. Dus misschien blijf ik wel werken en stuur de kinderen naar het dorp. Zo doet iedereen het toch?”

Met kleine handen gaat het beter

26 oktober 2013 (Trouw) – Op de onverharde weg die naar de fabriek leidt, ruikt het naar uitwerpselen en currykruiden. Het is 35 graden en een riool hebben ze in deze buitenwijk van Dhaka niet.

Op de vierde verdieping van een leegstaand flatgebouw is de geur verdrongen door die van zweet. Er zitten zo’n 75 naaisters, knippers en tekenaars in een ruimte van zo’n 50 vierkante meter broeken in elkaar te zetten. Een jongetje van een jaar of tien wordt door de lijnmanager achter een naaimachine vandaan gesleurd als ze ziet dat hij me opvalt.

De lijnmanager heet Lutifa. Ze heeft een gele sari aan en zet me gelijk aan het werk als ik haar vraag me te behandelen als een Bengaalse op haar eerste dag. Ze legt uit hoe het flapje op de achterzak van een broek gevouwen moet worden. “Met je vinger hierin duwen zodat het een puntig zakje wordt.” Ze wijst dan naar de pubermeisjes op de grond die geroutineerd tien zakjes per minuut vouwen.

De meisjes kijken nieuwsgierig toe. “Haar vingers zijn te groot”, zegt een meisje van een jaar of 12. Ze houdt haar hand naast die van mij. “Met kleine handen gaat het beter.” Lutifa kijkt gepikeerd.

De fabriek heet Bismillah Garments en de manager Mohammad Sahadat Hossain (33). Hij zit achter zijn bureau in een hokje op dezelfde verdieping. “We maken broeken voor India en Doebai. Niet voor Europa, daarvoor moet je groter zijn en meer kunnen produceren per dag. Daar zijn we nog niet klaar voor. Maar we willen wel, want dat zou ons meer aanzien en winst opleveren.”

Als je het nieuws moet geloven, staat de Bengaalse kledingindustrie internationaal onder druk door slechte veiligheids- en werkomstandigheden. In april kwamen 1133 mensen om het leven bij de ramp in de Rana Plaza-fabriek. Maar als je uit het raam kijkt bij Bismillah zie je overal fabrieken in aanbouw: de vraag naar goedkope kleren neemt alleen maar toe.

Het minimumloon in Bangladesh is op dit moment 28 euro per maand. Bij Bismillah verdienen de arbeiders meer. Een volleerd naaister verdient 40 euro per maand en een beginner 30. Daarvoor werken ze zestig uur per week, elke dag tien uur. Vrijdag is een vrije dag. Voor overuren krijgen ze 5 eurocent per uur. En bij zwangerschap of ziekte niets.

C Fleur de Weerd

C Fleur de Weerd

Er wordt in lijnen gewerkt. Dat betekent dat groepjes naaisters samen een broek maken. De eerste tekent, de tweede knipt, de derde zoomt, de vierde naait ze aan elkaar, enzovoort. Airco is er niet, aan het plafond hangen twee ventilatoren. Voor de ramen zitten tralies en er is maar een uitgang: die leidt naar een smal trappenhuis zonder reling waar het hele gebouw gebruik van maakt. Er hangt één brandblusser aan de muur.

Hossain geeft hier al tien jaar leiding. Hij is zelf als knipper begonnen en heeft zich omhoog gewerkt. Zijn fabriek is een van de 5000 kledingfabrieken in Bangladesh, althans volgens de officiële cijfers van werkgeversorganisatie BGMEA. Waarschijnlijk zijn het er twee keer zo veel. De industrie is goed voor 77 procent van de export van het land en er werken zeker vijf miljoen mensen.

Bismillah Garments is een fabriek die niet voor het Westen produceert en dus op vele punten slechter dan de fabrieken waar de kleren voor bijvoorbeeld Nederlandse winkels gemaakt worden, vertelt Shahida Sarkar van vakbond NGWWF.

“Met de veiligheid is het hier niet goed gesteld”, fluistert de vakbondsvrouw. “Dat trappenhuis kan echt niet. Maar het is logisch dat ze dat niet aanpakken, er is niemand die dat afdwingt. Kledingbedrijven uit India en Doebai zullen heus geen inspecteurs sturen die op brandveiligheid controleren. Bij fabrieken die voor het Westen produceren, ziet dat er anders uit. Zij moeten zich aan allerlei regels houden en dus is de veiligheid daar meestal beter.”

Maar niet alles is in de ‘westerse’ fabrieken beter. Over het algemeen is de werkdruk daar hoger en de sfeer slechter, zegt Sarkar. “Een fabriek als deze heeft niet zo’n strenge leverdeadline, dus is er minder stress. Er wordt niet geschreeuwd en geslagen.”

Ze wijst om zich heen. De arbeiders maken af en toe een praatje met elkaar. Als de stroom weer eens uitvalt, drommen ze met z’n allen samen om met hun ouderwetse mobieltjes foto’s te maken van de buitenlandse gast.

Hossain bevestigt het verhaal van de vakbondsvrouw. “We willen de veiligheid wel verbeteren, maar dat is geen eis van de inkopers. We werken ook zonder exportvergunning. Dat maakt de inkopers weinig uit. Als ze een inspecteur sturen, kijkt die alleen naar de kwaliteit van de kleren.”

In een fabriek een paar kilometer verderop gaat het er anders aan toe. Op een verdieping van zo’n 100 vierkante meter werken tweehonderd mensen in stilte.

De naam van de fabriek mag niet in de krant, want er wordt hier geproduceerd voor een Frans kledingmerk. “Praten op de werkvloer is bij ons niet toegestaan, want anders haal ik mijn deadlines niet”, zegt de manager die we Hassan noemen. “En dan verliezen de naaisters hun werk.”

Hassans fabriek heeft wel een exportvergunning. “Daar komt een hoop stress en gedoe bij kijken. Ik moet ambtenaren omkopen voor de juiste papieren, dat kost me duizenden euro’s per jaar. Bovendien komt er om de zoveel tijd een inspecteur die alles platlegt en eist dat ik van alles aanpas. Het wordt er wel beter van, maar het komt ook allemaal voor mijn rekening.”

Zijn fabriek ziet er op het eerste gezicht niet anders uit dan die van Hossain.

Maar als je goed kijkt, zie je toch verschillen: er hangen meerdere brandblussers, er zijn twee brandtrappen en er staat een klachtenbox op elke verdieping. Maar wel in het midden van de zaal, je kunt er niets in doen zonder dat anderen dat zien.

In beide fabrieken zijn jonge kinderen aan het werk. In Bismillah ontkent Hossain dit, maar Hassan is wel eerlijk. “Hier werken kinderen ja. Jullie in het Westen begrijpen dat waarschijnlijk niet, maar hier is werken een kans voor die meisjes. Voor het eerst in decennia krijgen boerenkinderen de mogelijkheid een vak te leren. Het bedrijf waarvoor ik produceer, weet er trouwens ook van. Ze tolereren het, zolang ik het op papier maar uitsluit.”

Intussen krijg ik in Bismillah naailes van Lutifa. Ze zet me op een laag bankje achter een naaimachine. Het pedaal is op enorm hoge snelheid ingesteld, zodat je al meteen de hele zoom van de broek hebt genaaid als je hem enkele tellen inhoudt. “Niet goed”, zucht Lutifa, als ik na een paar uur nog geen rechte lijn weet te naaien.

Het werk is niet per se zwaar, omdat ik telkens iets anders te doen krijg. Maar fysiotherapeuten wijzen op het gevaar voor de werkers die urenlang in dezelfde houding zitten. “Hun rug is vaak op hun dertigste kapot”, aldus fysiotherapeut Manushan Jonno, die actievoert voor betere werkomstandigheden. “Hoe groter en industriëler de fabriek, hoe slechter de gezondheid van de werkers.”

“Het lastige is dat veel mensen oprecht blij zijn met hun werk. Vooral voor vrouwen is het de manier om onafhankelijk te zijn en van het streng islamitische platteland te ontsnappen. Daar werden ze pas echt uitgebuit. Met zulke nieuwe verworvenheden gaan ze niet gauw klagen”, zegt Jonno.

Het meisje in een roze jurk naast me klaagt inderdaad niet. Ze giechelt als ze me ziet hannesen. Ze heet Sonia en steekt geoefend een draad door haar naald. “Ik ben zeventien en werk hier nu drie maanden. Mijn vader heeft een T-shirtwinkel en kon geen school meer voor ons betalen nadat we hadden leren lezen en schrijven. Maar dat is niet erg, mijn broertje en zusje werken ook hier. Wel zo gezellig.”

Intussen wordt Lutifa steeds onrustiger. Ik mag met niemand meer praten. Als de fotograaf op het jongetje inzoomt, wordt het haar te veel. “Nu moeten jullie weg, want de productie komt in gevaar.”

Hossain laat ons uit, maar niet voordat hij ons zijn toekomstdroom laat zien: een nieuwe fabriek twee straten verderop. De ruimte is zeker 150 vierkante meter en glanzend wit geverfd. Hij loopt door de zaal en spreid zijn armen. “Groot hè?” Dan trekt hij me mee naar het raam en wijst naar buiten. Daar is een inkeping te zien in de tralies, met daaronder een brandtrap. “Voor de veiligheid”, zegt hij breed lachend. “Hiermee gaan we zeker een exportvergunning bemachtigen.”

‘Ik wist niet dat je ook ziek in je hoofd kon zijn’

28 oktober 2013 (Trouw) Voor de ramp in Dhaka had Finaz Hossen geen idee dat het ook in psychisch opzicht met je mis kan gaan. “Ik wist niet dat je ziek in je hoofd kon zijn. Nu wel. Ik kan niet meer slapen en vergeet alles.” Hij zit op een kamertje van 6 vierkante meter dat hij met drie man deelt. “Telkens als ik in slaap val, komen de beelden terug. Mijn kamergenoten zeggen dat ik ’s nachts schreeuw. Ze willen dat ik naar een Pir, een spiritueel leider, ga. Die problemen wegblaast.” Hij schudt zijn hoofd.
Hossen werkte als knipper van broekpatronen toen het Rana Plaza-gebouw instortte. Hij zat vijf uur vast tot hij zich loswurmde en met zijn telefoon als zaklamp naar het trapportaal kon kruipen. Daar werd hij gered. Over de lichamen waar hij overheen kroop, droomt hij niet. “Ik zie wel elke keer het plafond naar beneden komen.”
Hij is niet de enige. Het merendeel van de overlevenden van de Rana Plaza-ramp heeft psychische problemen. “Acute stress, slapeloosheid, paniekaanvallen, vergeetachtigheid, rusteloosheid, flashbacks en hysterie”, somt psychotherapeut Abul Kasem op. “En dat zijn nog maar de symptomen van de eerste fase. Na enkele maanden zien we nu dat heftige depressies, verslavingen en posttraumatische stress-syndromen ontstaan.”
Dokter Kasem werkt vrijwillig een paar uur per week met Rana Plaza-slachtoffers. Van de bijna tweeduizend overlevenden van de ramp komen zo’n vierhonderd mensen bij hem. Niet alleen naaisters en managers, ook hulpverleners en familieleden hebben problemen.
Een ramp als deze is veel heftiger voor de psyche dan een natuurramp, waar ze in Bangladesh bijna jaarlijks door getroffen worden. Omdat er schuldigen zijn, legt de dokter uit. “Als je kind bij een overstroming omkomt, dat denken wij Bengalen: inshallah. God heeft het zo gewild. Nu kan dat niet en dat maakt de stress groter.”
Hossen durft geen gebouw meer binnen te gaan, vertelt hij. Helemaal verkeerd, vindt Kasem. “Hij zou er beter aan doen wel weer te gaan werken. Net zoals na een auto-ongeluk, je moet meteen weer gaan rijden. Het klinkt misschien bot, maar het is zijn enige optie. Zijn financiële situatie trekt hem nog verder de afgrond in, en in een fabriek zou hij weer onder de mensen komen. Naaien is het enige wat hij kan: door dat te doen, krijgt hij weer wat zelfrespect.”
En bezoek aan een Pir, is dat een goed idee? “Absoluut”, zegt de dokter. “Als ze op die manier weer licht in hun hoofd krijgen, is daar niets op tegen.”
Op de lange termijn verwacht Kasem veel grotere problemen: het aantal zelfmoorden zal toenemen. “We hebben nog maar van één geval gehoord, maar dat zullen er meer worden. Suïcide komt meestal pas in de laatste fase van de rouwverwerking. Als je over een jaar terugkomt, heb ik waarschijnlijk nare cijfers voor je.”

Slechts een fractie uitgekeerd

26 oktober 2013 (Trouw) – Salma Nobi (22) ligt op een tweepersoonsbed en kan zich niet bewegen. “Ik heb net een operatie aan mijn onderste wervel gehad.” Ze liep een rugbreuk op toen op 24 april de Rana Plaza-fabriek bij Dhaka instortte. “Ik had net een mouw gezoomd, toen het gebeurde. Ik hoorde een hard, krakend geluid. Vanaf dat moment weet ik niets meer.” Na drie uur kwam ze weer bij. “Mensen schreeuwden en ik zag de supervisor met een zaklamp. Ik zat vast onder een grote doos vol kleren. Toen haalde iemand me eruit, ik weet niet wie.”
Een half jaar later woont Nobi bij haar broer, omdat ze haar huur niet meer kan betalen. Het bed waarin ze ligt te herstellen, staat in een armoedig hutje dat ze deelt met drie anderen. “Naast mijn operatie heb ik van de staat 100 euro gekregen. En van Primark 150 euro. Mijn achtergestelde loon krijg ik nog, dat is ook ongeveer 100 euro. Maar ik krijg het alleen als ik het persoonlijk kom halen, zegt mijn baas.” Ze probeert haar hoofd te draaien. “Dat is niet zo gemakkelijk in mijn positie. Ik weet niet eens of ik ooit weer kan lopen.”
Het instorten van de Rana Plaza-fabriek bij Dhaka, een half jaar geleden, was de grootste ramp in de geschiedenis van de kleding- industrie in Bangladesh. Er vielen 1133 doden en ongeveer 200 gewonden. Door een menselijke fout, want er waren de dag ervoor constructiefouten ontdekt, en toch moesten de arbeiders komen werken van het management.
Nadat de eigenaren en managers waren opgepakt, werd al snel de vraag gesteld hoe de slachtoffers konden worden geholpen. De mensen die hier werkten, waren hoofdzakelijk arme vrouwen afkomstig uit dorpen uit het hele land. De Bengaalse overheid beloofde in de medische behoeften te voorzien en zei per overleden arbeider aan de familie 1000 euro uit te keren. Overlevenden zouden ook gecompenseerd worden en aan nieuwe banen geholpen. Werkgeversorganisatie BGMEA zei fondsen op te richten en lonen door te betalen. Modemerken spraken hun afschuw uit en Primark beloofde compensatie voor de slachtoffers en hun kinderen.
Zes maanden later gaan we terug naar de plek van de ramp om te kijken wat daarvan terecht is gekomen. Achter de kale plek waar eerst het Rana Plaza-gebouw stond, ligt nog steeds een enorme hoop met stenen, rollen stof en machines. Ervoor zijn nieuwe winkeltjes ontstaan. Een jongen verkoopt achter een zelfgefabriceerde kraam naar curry geurende kormarolletjes, zijn buurman felgekleurde babykleertjes. Om de hoek staat een man in een portiek lijm te snuiven.
C Fleur de Weerd

C Fleur de Weerd

Een vergelijkbare chaotische situatie als rond dit gebouw van de ramp zie je terug in de compensatie aan de slachtoffers. “Slechts enkele beloften zijn nagekomen. Bovendien is er amper overzicht en niemand neemt de verantwoordelijkheid”, aldus Khondaker Golam Moazzem, hoofdonderzoeker van de onafhankelijke Bengaalse denktank Centre for Policy Dialogue (CPD) dat een rapport schreef over de stand van zaken. “Er is een bedrag van 55 miljoen euro nodig, daarvan is slechts een fractie uitgekeerd.”

Volgens de denktank hebben slechts veertig families van overleden werkers van de Bengaalse overheid de hele compensatie gekregen. Werkgevers hebben slachtoffers niet het loon uitbetaald, waar ze volgens de wet recht op hebben. Onder slachtoffers gaan er geruchten dat zowel bij de overheid als de werkgeversorganisaties speciaal opgerichte fondsen niet worden gebruikt waarvoor ze bedoeld waren.
Van de 28 kledingmerken die volgens vakbond IndustriALL met de fabriek zaken deden, is enkel Primark over de brug gekomen met geld. Het Ierse kledingbedrijf heeft zeker 3300 arbeiders van zes maanden loon voorzien. Andere kledingbedrijven ontkennen betrokkenheid of zeggen niet met geld te willen strooien.
Corruptie maakt het moeilijk om duidelijkheid te scheppen. Zo is het bijvoorbeeld bijna onmogelijk om vast te stellen hoeveel mensen daadwerkelijk aan het werk waren in de fabriek. Fabrieken registreren nauwelijks wie er werkt en in de ziekenhuizen was de chaos direct na de ramp te groot. Volgens werkgeversorganisatie BGMEA waren er maar 2759 mensen aan het werk terwijl het centrum op basis van lijsten van ziekenhuizen en journalisten uitkomt op 3900.
Daarbij komt dat de slachtoffers nauwelijks weet hebben van hun rechten. Nobi kan niet lezen en heeft geen bankrekening, dus moet volledig vertrouwen op wat de mensen om haar heen zeggen. “Ik heb via via gehoord dat we het salaris nog krijgen. Dat ik die 150 euro van Primark heb gehad, hoor ik net pas. Eigenlijk dacht ik dat ik dat van de bank had gekregen, want daar moest mijn familie het geld ophalen.”
Een groep slachtoffers verdient volgens CPD speciale aandacht: families van vermiste Bengalen. Deze mensen krijgen niets van de overheid. Shapla Hossain (40) bijvoorbeeld. Ze spreekt ons aan bij de ruïne van Rana Plaza en trekt meteen een foto van haar broer Salieman tevoorschijn. “Zijn lichaam is niet gevonden of zit tussen dat van de ongeïdentificeerde lichamen, en ook de DNA-test heeft nog niets opgeleverd.” Ze heeft 150 euro van Primark gekregen, omdat ze het bewijs op papier heeft dat hij daar echt werkte. “Verder niets. Het is vooral vreselijk voor zijn kinderen.”
Hossain heeft alle papieren van haar broer bij zich. Maar ze wil wel erg graag haar verhaal vertellen. We waren door de vakbond al gewaarschuwd dat er ook mensen zijn die misbruik proberen te maken van een rampsituatie. Ze zeggen zelf in de fabriek te hebben gewerkt of een familielid te zijn verloren. Hoewel er 332 lichamen niet zijn gevonden, claimen 550 families een vermist familielid. Het is lastig vast te stellen of Hossain de waarheid spreekt.
Terwijl de overheid beloofd had de medische kosten te dekken, beginnen steeds meer ziekenhuizen kosten op slachtoffers te verhalen. Slachtoffers in Dhaka Medical College and Hospital bevestigen dit. “Je merkt dat ziekenhuizen geen zin meer in ons hebben”, vertelt de 18-jarige Rehanna vanuit een ziekenhuisbed. “Ik krijg trouwens überhaupt niets van de overheid, omdat ik pas in het ziekenhuis koudvuur opliep.” Ze wijst naar de stompen onder haar jurk waar eerst haar benen zaten. “Ik hoop dat ik in elk geval wel een rolstoel krijg.”
De slachtoffers hebben moeite rond te komen met de kleine bedragen die ze hebben gekregen. Nobi’s 250 euro is al op. “Aan eten, huur en vervoer naar het ziekenhuis”, vertelt ze. Hoe nu verder weet ze niet. Ze kijkt naar haar broer die aan de rand van het bed zit. “Ik wil niet terug naar mijn ouders in het dorp, want ze zijn streng islamitisch. Maar ik vraag me af of ik veel keus heb. Ik zou het liefst hier een eigen atelier beginnen, maar zou niet weten waar ik dat geld vandaan haal.”
Ook Rehanna ziet geen andere uitweg. “Ik onderhield steeds mijn moeder, maar nu draaien we de rollen om.”

Voor loonoverleg was een grote ramp nodig

24 oktober 2013 (Trouw) –  Een half jaar geleden stortte in Dhaka kledingfabriek Rana Plaza in. Op het moment dat het gebouw van zeven verdiepingen – waarvan twee illegaal gebouwd – op de flat ernaast viel, waren er binnen zeker drieduizend mensen aan het werk. In totaal kwamen 1133 arbeiders en hulpverleners om.

De ramp bracht veel teweeg in de internationale kledingindustrie. Er werd een akkoord gesloten tussen honderd kledingbedrijven om met de Bengaalse overheid veiligheidsinspecties te gaan uitvoeren. Een stap in de goede richting, maar het gaat niet ver genoeg, aldus hulporganisatie de Schone Kleren Campagne (SKC), die ook aandacht wil voor de lage lonen in de sector.

Op dit moment is het minimumloon 28 euro per maand. Hiervoor werken naaisters zes dagen per week, acht uur per dag. Officieel, want ze maken bijna elke dag overuren. Soms werken ze tot diep in de nacht door om een order af te maken. Geen werktijden om kinderen op te voeden, dus de meeste arbeiders – voor 80 procent vrouw – laten hun kroost achter bij ouders in de provincie.

SKC voert in Utrecht en Amsterdam actie voor een hoger minimumloon. Ook de Nederlandse overheid zet hierop in door adviesbureau Berenschot het zogenoemde ‘leefbaar loon’ uit te laten rekenen. Dat is een salaris waarmee een arbeider onder meer voedzaam eten, onderwijs en medische hulp voor zichzelf en zijn gezin kan betalen.

In samenwerking met professor Doug Miller van de Northumbria universiteit in Groot-Brittannië bedacht het adviesbureau een rekensom en kwam op een bedrag van 82 euro. Er circuleren verschillende getallen. “Het gaat niet alleen om het cijfer, het idee erachter is belangrijker”, aldus Irina van der Sluijs van Berenschot. “Het minimumloon wordt door werkgevers in Bangladesh vaak als maximum gezien. Arbeiders moeten heel veel overwerken om een beetje normaal salaris te verdienen. Deze discussie gaat over de absolute bodem.”

De meeste Bengaalse fabriekseigenaren vinden leefbaar loon een belachelijk idee. De H&M’s en C&A’s zijn hier omdat het een lagelonenland is, zeggen zij. Als we de lonen verhogen, gaan ze naar goedkopere landen in Afrika. De werkgevers maken zich zorgen dat zij voor de loonsverhoging opdraaien.

Maar ook in de industrie wordt het als een utopie gezien: als je de lonen ophoogt, kun je net zo goed de kleding in eigen land laten maken. Zelfs goedwillende bedrijven zijn kopschuw. Zij zeggen dat ze niet weten waar te beginnen en wijzen naar de Bengaalse overheid. “Het is al jarenlang een patstelling”, verzucht Van der Sluijs. Wat dat betreft is Rana Plaza wel ergens goed voor geweest. Op dit moment vergadert een commissie van overheid, werkgevers en vakbonden over een nieuw minimumloon. Begin deze week zeiden fabriekseigenaren tegen journalisten ter plekke dat ze verwachten dat het ergens tussen de 45 en 55 euro per maand uit zal komen en volgend jaar wordt ingevoerd. Maar ook dat zij het alleen kunnen invoeren als de kledingbedrijven meebetalen, de orders voor volgend jaar liggen namelijk al vast.

Voor de toekomst is het volgens Berenschot belangrijk dat de loononderhandelingen structureel gaan plaatsvinden. “Er is een systeem nodig waarbij vakbonden, werkgevers en overheid ieder jaar om de tafel gaan zitten, zodat iedereen in de industrie weet waar hij aan toe is. Erg lastig in Bangladesh, want de partijen zijn gepolitiseerd en de machtsverhoudingen scheef. Op dit moment is iedereen betrokken en doet iedereen zijn best om de reputatieschade goed te maken. Het is de vraag of dit zo blijft als de aandacht wegebt.”