Op zoek naar eigen helden

(VPRO gids) – Tijdens het Read My World literatuurfestival in Amsterdam staan Polen en Oekraïne centraal. Voormalig Oekraïne-correspondent Fleur de Weerd legt de gevoeligheden in de Oekraïense letteren bloot.

Lees verder

Advertenties

Smokkelen voor de Oekraïense nep-Ikea

(Trouw De Verdieping) – In haar boek ‘Het land dat maar niet wil lukken’ voert oud-Trouw-correspondent Fleur de Weerd markante Oekraïners op. Zo neemt radio-dj Sasja haar mee op smokkelpad. Een voorpublicatie.

omslagSasja Kipa is de populairste jongen van de stad. De 26-jarige is lang, draagt een grote bril met zwart montuur, bretels en presenteert een dagelijks programma op de lokale radio. Overal waar hij gaat, stoppen mensen om hem een hand te geven. Maar als ik hem vraag naar zijn populariteit, vertrouwt hij me toe dat hij het ermee gehad heeft. “Oezjhorod is als een Amerikaanse high school uit de film. Leuk hoor, al die aandacht, maar het verveelt gauw”, zegt hij.
>Lees verder

Langs Georgische wijnproeverijen, met de taxi

19 oktober 2013 (Trouw) – Het is niet heel gemakkelijk je culinaire wonderen voor te stellen bij een voormalig Sovjet-land. Logisch; Russische kool- en bietenschotels geserveerd met wodka zijn niet echt om over naar huis te schrijven. Maar iedereen die in Moskou of Kiev wel eens wanhopig zocht naar een veilige culinaire haven, weet waar die te vinden is: in het Georgische restaurant.

Aubergines met walnotenpasta, schapenkaas, koriander, basilicum en granaatappelpitjes, het vruchtbare geboorteland van Stalin staat bekend als het Italië van de regio. En ze weten ook wat je erbij serveren moet: goede wijn. Het ideale land om op wijntour te gaan. Met de taxi, want er moet geproefd worden.

georgie2

C Fleur de Weerd

Te beginnen in Mtskheta, een stoffig dorpje ten noorden van de hoofdstad Tbilisi.  Naast de onverharde weg speelt een groepje kinderen blootsvoets en staan twee mannen in de zon een koe te villen. Als onze taxi de hoek omslaat doemt er plotseling een nette oprijlaan op. Aan het einde staat een stralend wit kasteel, dat van bordkarton zou kunnen zijn. Gids Maka (20) – studente Engels – wacht ons op bij de ingang: “welkom in Chateau Mukhrani, het enige echte wijnkasteel van Georgië”, vertelt ze en wijst naar de wijngaarden. “We maken hier wijn van begin tot eind.”

En dat is allemaal te danken aan de Georgische prins Ivan Mukhranbatoni. Hij ging in 1882 in wijnleer in Frankrijk en besloot in eigen land een wijnbedrijf te beginnen. Nadat de Fransen aanvankelijk wat tegensputterden, werd zijn Mukhrani zelfs in Parijs een succes, vertelt Maka enthousiast.

Maar na Ivans dood verslofte het chateau. Pas na de Sovjettijd werden er nieuwe investeerders gevonden. Er werd een wijnmeester met ervaring in Frankrijk aangesteld en de boel werd na westerse maatstaven opgeknapt. Het resultaat zet de gids ons voor in een Bourgondisch ingericht proeflokaal: wijn, brood, fruit, kaas en natuurlijk tjatja -een variant op grappa. Aards, zuur, kruidig. Sensationeel.

Dat Mukhrani een van de beste Georgische wijnbedrijven is, vindt ook Theo Jansen (69). Hij is oud-directeur van Pernod Ricard Nederland en heeft een belangrijke rol gespeeld in het op de kaart zetten van Georgië als wijnland. “Georgië heeft de oudste wijncultuur van de wereld. Er worden unieke druivenrassen gebruikt van meer dan achtduizend jaar oud. Die inheemse rassen en de vruchtbare bodem zorgen, met het zonnige klimaat, voor ideale omstandigheden om er unieke wijn te maken.”

georgie3

C Fleur de Weerd

In de roerige jaren na de val van de Sovjet-Unie kreeg de Nederlander het verzoek om op bezoek te gaan bij wijnboeren in Georgië. Hij trof een land in duisternis. Er was amper elektriciteit en de wijnapparatuur was slecht. “Hun vulmachine, die omhoog gaat als hij opgevuld wordt met wijn, drukte telkens onderdelen eruit. Ze werkten met kartonnen filterplaten. Maar toen ik de wijn proefde dacht ik: het is toch mogelijk. Als ze onder zulke omstandigheden al zoiets lekkers kunnen maken, moet er meer uit te halen zijn.”

Jansen ging de uitdaging aan en nam een Georgisch wijnbedrijf over. Hij leidde mensen op in Nederland en leerde het bedrijf hoe ze van hun bedrijf ook een toeristische attractie konden maken. Zijn voorbeeld werd al snel gevolgd door andere bedrijven. Jansen werd door president Shevardnadze tot ereburger benoemd.

Dat het wijntoerisme nog in de kinderschoenen staat, blijkt wel als we bij tweede wijnproefplek Chateau Telavi aan komen. De romantiek van Mukhrani is hier ver te zoeken, het ziet eruit als een pas uit de grond gestampte wijnfabriek. Ook aan de klantvriendelijkheid schort het nog. Twee mannen met snorren op de stoep halen hun schouders op als we vragen waar we moeten zijn voor het wijn proeven. “We zijn niet open”, bromt de ene chagrijnig, terwijl hij aan een sigaret lurkt.

Na wat aandringen blijken ze over tien minuten wel open te zijn. We worden ontvangen door ene David, de enige Engels sprekende persoon, die na een tijdje de accountant blijkt te zijn. “We krijgen niet zo veel toeristen, zo’n honderd per jaar”, vertelt hij als hij een proeflokaal laat zien: een lege zaal met glimmend laminaat en een klein tafeltje in het midden. Voor onze proefsessie neemt hij ons liever mee naar zijn kantoor. Hij laat een fles openmaken, haalt brood en kaas en ploft neer achter een kop instantkoffie. “En, lekker?” En ook hier kunnen we niet anders dan knikken.

georgie1

C Fleur de Weerd

Georgië is in trek bij toeristen. In 2009 kwamen er 1,5 miljoen toeristen naar het land, in 2012 bijna 5 miljoen. Logisch, want het land is erg geschikt voor vakantie: prachtige, afwisselende landschappen, een gastvrije bevolking en lekker weer. Van oudsher komen er al veel Russen en Oekraïners, maar ook Duitsers, Polen en Amerikanen zijn het land nu aan het ontdekken.

Omslagpunt was het jaar 2006, vertelt wijnkenner Jansen. In dat jaar legde Rusland vanwege oplopende spanningen Georgië een wijnembargo op. “Voor die tijd waren de wijnboeren verwend: Rusland nam toch alles af. Maar toen de grens werd geblokkeerd, viel tachtig procent van hun omzet weg.” Dat leek dramatisch, maar als snel werd van de nood een deugd gemaakt. Wijnmakers gingen razendsnel moderniseren en ontdekten de westerse markt. Ze namen Franse methodes van wijn maken over en lieten voortaan hun wijn rijpen in houten vaten.

Maar de erfenis van de Sovjet-Unie is nog niet helemaal verdwenen. Als we – al wat rozig – het dorpje Tsinandali doorrijden zien we plotseling een wijnbord staan. Het leidt ons naar een versleten complex dat aan een olieraffinaderij lijkt doet denken. We blijken gestuit te zijn op Kotechi, een oud sovjetbedrijf uit 1977. Zo ziet het er ook uit. In een enorme fabriekshal lopen fletse, ooit felgekleurde buizen over in stampers en trechters die de druiven pletten. In een hoekje zit eigenaar Bondo (66) aan een tafeltje met een collega te kaarten.

Hij is dolblij als we hem vragen of we zijn wijn mogen proeven. Er wordt een oud vrouwtje met een hoofddoek bijgeroepen die een slang aan een duizendlitervat koppelt. Met een trechtertje vult ze drie bekers tot de nok toe vol. “Die rode is voor export en die roze voor in het eigen land.” Oei, hoofdpijnwijn. Als ik voor de beleefdheid zegt dat de roze het meest bevalt, straalt de man. Hij tapt een frisdrankfles met het goedje vol en rijkt het me aan. “Deze verkopen we ook in Japan. Hij zit vol met anti-oxidanten. Dat is daar heel gewild, want het breekt de straling af.”

Met pijn in het hart, maar lichte opluchting in de smaakpapillen, verlaten we Bondo en zijn fabriekshal. Het is nu tijd voor een thuisproeverij. In de vruchtbare regio Kachetië is thuis wijn maken namelijk een oud gebruik. Dus we vragen een jongen op straat of we bij iemand thuis kunnen proeven.  Hij haalt zijn telefoon tevoorschijn en begint druk kennissen en familie te bellen. De taxichauffeur wordt geïnstrueerd en we worden naar het huis van Nikola Nikolaisen gereden.

geogie4

C Fleur de Weerd

Nikolaisen (37) maakt wijn op de ouderwets Georgische wijze: in een pot van klei (qvevri) in de grond. In een schuur achter zijn huis laat hij zien hoe het in de grond wordt gegraven en dichtgemetseld voor rijping. In de keuken – oma komt snel met wat zelfgebakken brood en salade aangelopen – mogen we het resultaat proberen. Zoeter, aardser, wederom lekker en je proeft de klei. Vooral de tjatja maakt indruk. Nikolaisen grijnst. “Die heeft een alcoholpercentage van ongeveer zestig procent.”

Het pittoreske eindstation van de tour is Signagi. In dit dorpje, dat spectaculair op een rots ligt, stikt het van de wijntoeristen. Groepen toeristen lopen in en uit bij proeflokaal Pheasant Tears, een door Amerikanen in 2007 opgezet bedrijf. Terwijl Georgische wijnmakers de Franse technieken overnemen, hebben zij zich hier juist toegelegd op de traditionele Georgische wijnmakerij uit kleipotten.

De Franse promovenda Mathilde Lebrand (26) vindt het goed gelukt. Ze pas op haar tweede dag van haar vakantie, maar heeft al heel wat wijntjes achter de kiezen. “Fransen weten natuurlijk niets van Georgië, maar het is hier zo mooi. En dan die wijn, heel goed. Alles is iets fruitiger dan thuis.” Lebrand krijgt uitleg over de amberwijn die ze drinkt van Alex Rodzianko(21), een Amerikaanse wijnleerling, die in het dorp zijn eigen wijn bedrijf wil opzetten.

Rodzianko is dol op de qveri-wijnen, en vertelt dat hij niet de enige is. “We hebben veel toeristen, maar ook veel wijnbedrijven uit andere landen komen hier kijken. Steeds meer Fransen en Italianen gaan wijn maken in qveri’s.” Dus de trend keert zich terwijl de Georgische wijnbedrijven net zijn overgestapt naar de Europese methodes? “Qveriwijn is duurder om te maken, dus de meeste zullen wel bij hun methodes blijven” zegt Rozianko lachend. “De meeste Georgiërs gaat het sowieso om de kwantiteit boven kwaliteit. Dat hebben ze wel uit de Sovjet-Unie overgehouden.”

De bekendste Georgische wijnen

Rkatsiteli = veel voorkomende frisse droge witte wijn.

Mtsvane = ideale, witte, droge zomerwijn, met een lange afdronk naarmate de wijn ouder wordt.

Tsinandali = beschermde benaming voor de blend met Rkatsiteli en Mtsvane, die verplicht 1 jaar ouderen moet voor hij verkocht mag worden.

Saperavi = bekendste rode druivensoort van Georgie, met een volle, krachtig smaak.

Tavkveri = relatief schaarse, rode droge wijn uit Kartli, wordt als rosé gebracht.

Mukuzani = bekendste appellatie voor een volle, soepele rode wijn van de saperavidruif.

Kindzmarauli = natuurlijk, half zoete rode wijn van de saperavidruif met een beschermde benaming.

Noot van de auteur: dit artikel verscheen in verkorte versie in de Tijd, het zaterdagmagazine van Trouw.

Transnistria: A Country That Doesn’t Exist, But Has The Guns To Make You Think Otherwise

8 january 2013 (the Huffington Post) – Within seconds of directing my camera at the bald granite Lenin head a suited man emerges. “No pictures allowed here. Passport and registration please.” He shows his own identification, a hammer and sickle emblazoned across the page next to his frowning portrait. “Presidential Security,” he informs me, “you must delete these pictures.” We would be ordered to stop photographing five more times in the next three days.

This was outside the presidential offices of the recently elected Yevgeny Shevchuk in Tiraspol, Transnistria, an unrecognized breakaway Republic sandwiched between Moldova and Ukraine. It has been called the most lawless place in Europe and is rumored to be a thriving transit zone for arms and human trafficking.

Our local guide, Andrey Smolenski laughed when he heard the story. “They still think that anyone with a camera is a spy, a relic of Soviet times,” he says as he swings his car onto the wide empty boulevard called ’25 Oktobrya, the date of the Bolshevik revolution. “Still, the KGB is not as bad now thanks to our new president.”

About 500,000 people live in this small sliver of land, which seceded from Moldova as the Soviet Union was collapsing. Not much has changed here since then. The Supreme Soviet still makes the laws, the flag bears a hammer-and-sickle and the style of clothing is patently Soviet in its drabness. War memorials commemorating the short conflict between Transnistria and Moldova occupy the towns’ central squares, replete with statues and artwork in the style of Socialist realism.

In the past tourists were only allowed in for a few hours, and though the policy has lightened in recent years, few stay here for more than a day. There are no foreign embassies, except for those of two other unrecognized states, South Ossetia and Abkhazia. “If you find yourself in trouble, you are alone,” was the warning leaving Moldova.

Though unrecognized, Transnistria is a de facto state, maintaining its own military, police force, border control and postal service. It issues its own currency though ATMs dispense only U.S. dollars and Russian rubles, which must then be exchanged.

Our guide, Smolenski, a 27 year old in an American sports jacket, meets us in front of a WWII era tank for a tour of the city. He co-wrote a book about Transnistria and works for the state-run radio station — but is now trying to set up a tour agency for Western visitors. “I will give you an objective picture of my country,” he says assuredly. The tour consists mostly of war memorials and other sights dedicated to the heroism of the Transnistrian partisan forces in the 1992 “war for independence.”

“I know that you are not spies,” Smolenski says a bit later, “this is not needed anymore since the new president took office in December, the situation improved. Sometimes it seems here that you might be in North Korea, but it is not.” He drives past a checkpoint with heavily armed Russian peacekeeping soldiers. “Don’t take pictures,” he snaps, “if they see you, they will stop us and we’ll have to have a serious talk with some serious guys.” When asked if that meant the KGB, Smolenski nodded in the affirmative.

Smolenski begins to tell the history of his country, a familiar story of frozen conflict in the post-Soviet world. Under Stalin’s policy of Russification, waves of Russian immigrants came pouring into the Moldovan Soviet Republic, particularly into the heavily industrialized area of Transnistria. As the Soviet Union was collapsing, nationalist parties gained power and Moldova declared independence. Romanian was declared the only official language and there were calls from the right wing fringe to expel all Slavic peoples from the country. A short conflict ensued between Moldova and the majority Slavic Transnistria, which ended in a stalemate after the Russian Army intervened on the breakaway republic’s behalf. Russian troops remain in Transnistria to this day.

Most Moldovans refer to the Russian troops as occupiers. “All propaganda,” says Smolenski. “The Moldovan fascists tell these lies and America and the EU believe them. There could have been genocide here if Russia had not stepped in. But, the fact that we are unrecognized is proof that the Cold War is not yet over. Without Russia’s support we would not survive.”

Although Russia also does not officially recognize Transnistria, it provides the country with tremendous financial support to the tune of $150 million a year, according to Smolenski. Indeed, Russia’s presence is heavily felt in the country. At every border crossing or strategic position there are Russian peacekeepers with AK-47 assault rifles and heavily armored vehicles concealed beneath camouflage netting. An enormous slogan reading “Russia brings peace and stability” was painted across an overpass.

The Soviet landscape has also remained intact. The country is remarkably clean and free of graffiti and trash. The facades of all of the buildings on the main streets are immaculate and propaganda posters hang from buildings proclaiming, “Tiraspol is our favorite city!” Another banner bears the face of the new president with the mantra “There Will Be Order” printed boldly down the side.

In the classic Russian style of Potemkin villages and dummy missiles, much of this order is illusion. Behind high walls and fences are piles of rotting trash. The sides of the buildings not visible from the street are unpainted and crumbling. Most of the young people expressed a strong desire to leave the country. When asked about life in Transnistria one young man named Alexander said, “life is very bad here.”

A bored man working with his wife in a tailor shop gave the most enthusiastic assessment: “It is possible to live here.”

Most reminiscent of the communist era is the extreme boredom and conformity that permeates the place. There are barely any cafes or clubs, nothing beautiful in the city, no culture to speak of. Most of the young people were more anxious to ask questions about Europe and America than to talk about their own country. Ninteen year old Vilena — the name, a derivation of Vladimir Illich Lenin — looks shyly at my American friend and asks “what is it like to live in America?” She asks if there are really so many sheep in my native Netherlands.

As the days pass and as more uniformed men appear demanding passports, a sense of unease begins to fall over the trip. Andrei tells about an Austrian tourist he had showed around a few months before. “He took a picture of a factory and was arrested by the KGB, but because he spoke no Russian they called me. They interrogated me for six hours, without coffee or anything,” he looks out the window at some people waiting for a trolleybus and as if by reflex says, “but that was under the previous president, now everything is better.”

Transnistrië: stuiptrekking van de Sovjet-Unie

2 juni 2012 (Trouw) – Precies op het moment dat ik mijn camera op het kale marmeren hoofd van Lenin richt, komt de agent naar buiten gerend. “Wie bent u? U mag hier niet fotograferen. Paspoort alstublieft.” Hij laat een pasje zien, met een donkere foto van hemzelf naast een kleurrijk embleem met graan, bessen, een hamer en een sikkel. “Het kan me niet schelen dat u alleen een foto van het beeld wilt. Dit is het kantoor van de president. Toerist of niet, deze foto’s dienen gewist te worden.”

We staan voor het presidentiële paleis van Jevgeni Shevchuk, in Tiralspol, de hoofdstad van Transnistrië. Dit is een obscuur staatje tussen Oekraïne en Moldavië, dat door geen enkel land ter wereld wordt erkend en bekend staat om wapensmokkel en witwaspraktijken. “Mocht je geen foto’s maken?”, zegt onze gids Andre Smolenski hardop lachend. “Een overblijfsel uit Sovjet-tijden. Ze denken nog steeds dat iedereen met een camera een spion is.”

Er wonen 500.000 mensen hier, het parlement heet de Opperste Sovjet en de geheime dienst de KGB. Er komen nauwelijks toeristen. De mensen spreken er vrijwel alleen Russisch, dragen kleding uit de jaren tachtig, er heerst een benauwde sfeer en het stikt er van de sociaalrealistische oorlogsmonumenten.

In het verleden was het enkel toegestaan om hier een paar uur te verblijven en moest je soms de douane omkopen om er weer uit te mogen.

Hoewel het toegangsbeleid de laatste jaren is versoepeld, wordt er door het Nederlands ministerie van buitenlandse zaken nog steeds gewaarschuwd om te reizen in dit zogenoemde conflictgebied. Er zijn geen ambassades, behalve die van andere niet-erkende staten Zuid-Ossetië en Abchazië. Als je in de problemen komt, sta je er alleen voor, was de onheilspellende boodschap die ik van alle kanten te horen kreeg, toen ik aankondigde dat ik hier drie dagen wilde gaan rondreizen met een Amerikaanse vriend.

Het hostel waar we hebben gereserveerd, blijkt een vrouw te zijn die kamers in flats aan de andere kant van de stad verhuurt. “Drie dagen? Wat wil je in hemelsnaam doen?”, vraagt ze terwijl ze hoofdschuddend onze paspoorten inneemt als we ons melden in haar Sovjetflat. Een visum is niet nodig, vertelt ze, maar het lijkt haar beter dat zij onze registratie bij de politie regelt. Haar man komt de dag erna onze paspoorten halen en zorgt voor toestemming. “Dan kom je het land wel uit, denk ik”, lacht ze. We vragen niet verder.

De dag erna gaan we op Sovjettour met gids Smolenski. Hij werkt in het dagelijks leven bij de staatsradio en is daarnaast een vooralsnog weinig succesvol reisbureau voor westerse toeristen begonnen. “Ik weet dat jullie geen spionnen zijn. Dat is ook niet nodig, want sinds de nieuwe president is aangetreden in december, is de situatie verbeterd. Het lijkt voor jullie misschien wel op Noord-Korea, maar dat is het niet”, zegt hij terwijl hij zijn Amerikaans sportjasje glad strijkt. “Ik zal jullie een objectief beeld van de republiek geven.”

En Smolenski begint te vertellen, over de onstaansgeschiedenis van Transnistrië. Deze is vergelijkbaar met die van andere de facto staten in de voormalige Sovjet-Unie. Onder Stalin werden veel Russen verplicht naar het gebied te verhuizen. Toen de Sovjet-Unie uiteen viel en Moldavië de onafhankelijkheid uitriep in 1991 wilden de Moldaviërs de Russen verdrijven en voerden Roemeens als enige officiële taal in. In 1992 brak er een burgeroorlog uit, die vijf maanden duurde. Toen kwam het Russische leger tussen beide. Tot de dag van vandaag beschermen zij de vrede.

Althans, dat is Smolenski’s een versie van het verhaal. Volgens de meeste Moldaviërs zijn de Russische troepen de bezetters van het gebied. “Allemaal propaganda”, weet Smolenksi. “Moldavië moet die leugens wel vertellen om de EU en Amerika tevreden te houden. Zo erg is het hier allemaal niet. We hebben in december nog vrije verkiezingen gehad. Dat we door niemand erkend worden en is het bewijs dat de Koude Oorlog nog niet afgelopen is. Als Rusland ons per jaar niet met miljoenen dollars zou steunen zouden we niet overleven. Het is allemaal geopolitiek.”

De Koude Oorlog is terug te zien. Op iedere grens overgang of strategische plek staan Russische militairen opgesteld met AK47’s. Transnistrie is vergeleken met de omringende landen opvallend schoon en keurig. De gevels zijn geverfd en er is nauwelijks grafitti. Op de leus ‘Rusland garandeert stabiliteit en vrede’ direct na de grensovergang vanuit Moldavië na dan. “Er zal orde zijn”, beveelt de president vanaf grote kleurige plakkaten in de hoofdstad. Hij kijkt neer op een reusachtig marmeren oorlogsmonument waar de slachtoffers van de oorlog met Moldavië worden herdacht. Overal liggen neonkleurige plastic bloemen.

Wat hier het meeste aan de communistisch tijdperk doet denken is waarschijnlijk de verveling. Cafés zijn er amper, jongeren hangen wat rond op straat. Als we met een paar gaan praten blijken ze liever vragen te stellen dat ze te beantwoorden. “Natuurlijk hou ik van mijn land, dat doet toch iedereen”, aldus 18-jarige Vladimir met zijn kin omhoog. De 19-jarige Vilena – afkorting van Vladimir Illich Lenin – kijkt wat verlegen naar mijn Amerikaanse vriend. “Kun je vertellen hoe het is om in Amerika te leven? Wat leren jullie over Vietnam op school? En in Nederland, zijn daar werkelijk zo veel schapen?”

Hoe langer we er zijn, hoe dreigende de atmosfeer wordt. Als we onze paspoorten gaan halen bij de vrouw van het appartement en het gesprek op het doel van de reis komt, schrikt ze. “Je schrijft een artikel? Toch niets slechts hoop ik. Want anders komen ze mij halen.”

Na wat drankjes vertelt ook Smolenski dat hij wel eens nadelen van omgaan met toeristen heeft gevoeld. “Een vriend van me uit Oostenrijk, had een foto gemaakt van een fabriek. Ze hadden hem opgepakt en hij had mij gebeld omdat hij geen Russisch sprak. Ze hebben me toen 6 uur ondervraagd. Zonder koffie of iets.” Hij kijkt uit het raam naar de mensen die op de bus staan te wachten. “Maar dat was onder de vorige president. Nu is alles beter.”

Oui c’est Autriche

Een geschiedenisscriptie schrijven moet je niet onderschatten. Het beïnvloed je dagelijks leven. Zoals een medicijnenstudent overal – vooral bij zichzelf – ziektes ziet, zie ik in Oostenrijk overal overblijfselen van Anschluß-tijden en meng me in ieder gesprek met een of andere bezettinganekdote die er op dat moment er niet toedoet.

Het is soort bewijsdrang: Retorische ‘wist jij’-vragen stellen aan vrienden die het antwoord toch niet weten.

Vandaag kwam ik tot de verassende uitvinding dat ik net als in Berlijn (zie Wedding) in Wenen in de voormalige Franse sector woon. Zoals de meeste mensen niet weten, was Wenen net als Berlijn na de oorlog in vier delen opgesplitst. De bezetting duurde 10 jaar. Het 1. bezirk was neutraal, daar reed iedere dag een patrouillewagen rond met 4 soldaten: de Amerikaan aan het stuur, een Rus die de kaart las ernaast en een Engelsman en Fransman op de achterbank. Daar had ik bij willen zijn. Moet tot hilarische situaties geleid hebben.

Je kunt best over de oorlog lachen met Oostenrijkers. Fritzl en Haider zijn taboeonderwerpen, maar menig Oostenrijkse jongere maakt grappen over zijn demente oma die bij tijden de verpleegster een Hitlergroet uitdeelt. Op een macabere manier toch sympathiek.

Terugkomende op mijn vondst over de Franse sector. Daar merk je dus helemaal niets van. Niemand weet het en het is niet eens terug te vinden in straatnaambordjes. Desalniettemin ga ik er zekerweten op de terugweg van uitgaan een keer een discussie over hebben met de man van de Dönerladen.

Misschien had ik toch maar medicijnen moeten gaan studeren.

Gepubliceerd op 3 juni 2009 op http://www.volkskrantreizen.nl

‘Sorry ik dacht dat u Duits was’

Wat is dat toch met migranten en lokale dialecten? Is er in Wenen sprake van een haat-liefde verhouding tussen de twee?

Neem nu mijn Turkse huisgenoot. Hij heeft Duits geleerd in de keuken van een Weens restaurant. Iedereen knikt vriendelijk als hij – zonder lidwoorden en iedere uitdrukking in een verkeerde context – een verhaal ophangt. De oer-weense buurvrouw is dol op hem. ‘Omdat hij het toch probeert.’

Ik met mijn Duitse accent wordt daarentegen vijandig gadegeslagen bij de balie van de bibliotheek (oww excuses Bücherei). Ik zie het in de ogen van de baliemedewerkster. Mijn tong weigert perplex Duitse dienst. Ik breng er hakkelend uit dat ik het boek wil terugbrengen. Ze vraagt waar ik vandaan kom. ‘Holland?’ Een stralende lach. ‘Sorry ik dacht dat u Duits was.’

Typisch. In Wenen wordt een mengelmoes van dialecten gepraat. Joegoslavisch-Duits (voormalig joegoslaviers zijn grootste groep migranten met de laagste inkomens) en Turks-Duits mogen dan het meest in het oor springen, het meest besproken accent vandaag de dag is het ‘Hochdeutsch’.

De Duitse migranten zijn de hoogst opgeleide en openlijk meest bespotte groep migranten. Duitsers komen hier voor werk of opleiding vanwege gunstige omstandigheden. Ze zijn sympathiek en ze dienen geen klachten in bij de rascismusmeldekammer als ze ‘Piefke’ worden genoemd.

Zoals een Nederlander in België kan de Duitser vanuit calimero-sentimenten en een nodige portie Tweedewereldoorlog-vooroordelen in Oostenrijk rekenen op een scheve blik als hij bij de ‘Backerei’ (excuses ‘Konditorei’) om een ‘Tute’ vraagt. ‘Servus bist du deppert’, hij had natuurlijk beter een ‘Sackerl’ kunnen vragen.

De meeste Germanen hebben het al opgegeven te integreren. Met hun aantal – meer dan 40.000- hebben ze zich als minderheid gevestigd en koloniseren ze langzaam maar bewust zeker de Oostenrijkse hoofdstad. Duitse clubs zijn de hipste, Duitse winkels lopen het beste et voila: de Oostenrijkers klagen dat de Piefkes hun banen jatten.

De oplossing voor een Nederlander met een Duits accent? Geïnteresseerd ah la een cultureel antropoloog de buurvrouw vragen wat ‘Semmelbrösel’ is, fanatiek iedereen ‘Grüssgotten’ in de ‘Bücherei’, ‘heuer’ op een ‘Sessel’ plaatsnemen en je rotzooi ‘freilich’in een ‘Mistkügerl’ werpen.

Ik doe werkelijk mijn best. En wat krijg ik als dank? Mijn Berlijnse vrienden lachen me uit vanwege mijn slome Oostenrijke accent en mijn Turkse huisgenoot vindt het belachelijk dat er toch een enkele keer een ‘Stuhl’ uitfloept. ‘Je bent hier wel in Oostenijk zeg’.

Je doet het nooit goed. Zoals altijd in een dergelijke conflictsituatie kies ik voor de underdog (ik werk aan een desintegratie-is-hip-theorie). Vanavond ga lekker met mijn Duitse vrienden naar een Turks balkanfeest. En daarna naar een Oostenrijkse club waar een Duitse DJ draait. Ha!

Gepubliceerd 27 maart 2009 http://www.volkskrantreizen.nl