Mugabe en de effectiviteit van geweld

3 augustus 2011 (8weekly) – Gewelddadig monddood maken is effectiever dan massamoord. Dat moet de Zimbabwaanse dictator Robert Mugabe hebben gedacht toen hij in 2008 de volgelingen van zijn ZANU-partij aanzette om de politieke oppositie op de meest gruwelijk wijze te vervolgen.Schrijver Peter Godwin keert in 2008 terug naar zijn geboorteland Zimbabwe, waar op dat moment een dictator wanhopig weigert zijn verkiezingsnederlaag te accepteren. Zijn De beul van Zimbabwe gaat over de systematische marteling van duizenden Zimbabwanen.

De 83-jarige Mugabe was al dertig jaar aan de macht toen hij in maart 2008 een politieke nederlaag leed. Een tijd lang stelde hij de uitslag uit. Daarna begon hij deze te ontkennen en droeg hij aanhangers van zijn ZANU-partij op afvallige Zimbabwanen op te jagen. Tienduizenden leden en sympathisanten van oppositiepartij MDC werden gemarteld, verkracht en enkelen vermoord.

Journalisten waren niet welkom in Zimbabwe, maar Peter Godwin ging toch. De schrijver groeide op in het voormalige Rhodesië. Zoals hij zelf – ietwat langdradig en dramatisch – beschrijft, hebben hij en zijn familie een haat-liefdeverhouding met het land: ‘Ik ben op weg naar huis, naar Zimbabwe, om er op het politieke graf van Robert Mugabe te dansen.’

Die persoonlijke band heeft ertoe geleid dat het boek beter als een persoonlijke en literaire beschrijving kan worden beschouwd dan als een journalistiek werk. Beschrijvingen als deze onderstrepen dat:

Op een of andere manier lijkt het palet van wonden op de huid van een zwarte man veel gewelddadiger: onder de gescheurde donkere huid ligt het gelige stremsel van onderhuids vet, het door spierweefsel roodgekleurd kraakbeen en nog dieper de schokkende witheid van de botten.

‘De koeien riepen om mij’

Godwin doet gedetailleerd verslag van de chaos die hij aantreft. Anders dan de (Nederlandse) titel en ondertitel doen vermoeden, gaat het boek weinig over Mugabe zelf, maar veelover de angstige sfeer en verbeten slachtoffers van deze dictator. Zoals boer Denias Dombo, wiens benen en armen volledig in het gips zitten als Godwin zijn getuigenis afneemt in een privé-ziekenhuis in Harare.

Dombo vroeg als secretaris van oppositiepartij MDC aan de politie toestemming om partijbijeenkomsten te houden en als vergelding werd zijn boerderij in brand gestoken. Toen hij aangifte deed – hij had tussen de brandstichters ZANU-parlementsleden herkend – was hij zelf aan de beurt. Hij werd gruwelijk gemarteld en moest toezien hoe de daders zijn vermeende dood bezongen en zijn vee slachtten. ‘Ze hakten de pezen van hun achterpoten kapot, snikt hij. Ik kon horen hoe de koeien om mij riepen, maar kon niets doen.’

Dombo’s verhaal is gruwelijk. Tegelijkertijd typeert het de verbetenheid en het geduld van Mugabes slachtoffers. Zij dragen hun lot met geduld en zelfs af en toe met humor.

Immuun voor geweld

Godwins verhaal is een waardevol ooggetuigenverslag uit een gevaarlijk land in een gevaarlijke periode. De getuigenverklaringen van slachtoffers die hun ledematen verloren door toedoen Mugabes aanhangers worden in zo’n dramatiek en kwantiteit opgevoerd, dat ze aan kracht verliezen. Er is een grens aan de hoeveelheid huilende mensen zonder ledematen die je kunt verwerken. Hoe dramatisch ook, je raakt er immuun voor.

Dit geldt niet alleen voor de lezer, maar ook voor de internationale gemeenschap. Deze reageerde namelijk net zo afgestompt en liet de dictator begaan. Godwin mag met zijn overdadige stijl en liefde voor onnodig detail dan wel niet de beste pleitbezorger zijn voor het Zimbabwaanse volk, hij toont wel de effectiviteit aan van de tactiek van Afrika’s oudste dictator.

Moord zonder spanningsboog

TBS, een afkorting die menig officier van justitie doet sidderen. Vanwege de vele incidenten en media-aandacht ligt de strafmaatregel enorm onder vuur. En als er dan al een maand niemand ontsnapt tijdens verlof ligt er wel een boek van een oud TBS’er in de winkel. Veroordeeld moordenaar Humphrey Ludwig schrijft in Veroordeeld het systeem de grond in. Helaas doet hij dat met een waardeloze pen.


Vanaf de eerste bladzijde steekt de schrijver de dramatiek niet onder subtiele stoelen of banken. Ludwig beschrijft hoe in zijn jeugd zijn neiging tot gewelddadigheid onstaat, hoe hij zijn vriendin Anita ontmoet en hoe hun relatie verandert in een gewelddadig dubbelspel. Ludwig blinkt uit in onnodige repetitie en saaie ellenlange beschrijvingen van messenverzamelingen en gewelddadige gedachtes:

‘Naarstig was ik op zoek naar een doel, steeds meer beseffend dat het gevoel over wie ik was, botste met waar mijn leven heen dreef. Al dwalend, blind door een gebrek aan fantasie, greep ik terug op mijn oerdriften. Gedreven door testosteron begon ik me te verdiepen in in geweld, het stil en efficient uitschakelen van tegenstanders, en het gebruik van wapens. Zo cultiveerde ik een oerinstinct dat de meeste mensen juist zo diep mogelijk willen onderdukken.’

Moeilijk moordboek
Hoewel het duidelijk is dat we afstevenen op een vreselijke moord, ontbreekt het in het eerste deel volledig aan spanning. Telkens als er naar een climax wordt opgebouwd, breekt de schrijver voortijdig af. Hij gaat zijn vriendin vermoorden, maar dan bedenkt hij zich weer. Hij legt het mes klaar, maar nee hoor. Deze traagheid zorgt ervoor dat je als lezer de neiging krijgt door te bladeren naar de moord.

Hiernaast is de stijl amateuristisch, waardoor de personen niet tot leven komen. De dialogen waarin de hoofdpersoon met de psychiater spreekt, boeien het meest. De lezer vraagt zich met hem af wat er voor een hulp geboden kan worden als iemand zo overduidelijk op het noodlot afstevent:

Ik ben het probleem niet. Dat is zij,’ zei ik grimmig. Ik kon dan toch gewoon weggaan, stelde hij. Ik bewoog me langzaam naar hem toe. ‘Waarom gaat zij niet weg?’ Er zat lading achter mijn woorden. Ik bleef hem doordringend aankijken, terwijl ik zag dat hij verlegen zat om een antwoord. Het einde van onze gesprektijd redde hem van de hamvraag.’

Als Ludwig in het tweede deel zijn tijd in de gevangenis of TBS-kliniek beschrijft, komt er meer vaart in het verhaal. De voorbeelden van misstanden over onbehoorlijk gedrag, conspiracy theories van therapeuten en verziekte therapeut-patiëntrelaties zijn niet aan te slepen. Het gaat plotseling ergens over. De vaart komt wellicht ook voort uit de versnellingen die de schrijver maakt. Maar de stijl blijft zwak en het verhaal is dus alleen interessant om het verhaal zelf.

Gemiste kans
Door de aanstellerige stijl blijft de hoofdpersoon een vreemde. Dit maakt het voor de lezer moeilijk hem honderd procent te vertrouwen en zijn aanklacht tegen het systeem serieus te nemen. Ook lijkt het erop dat de schrijver té overtuigend wil zijn. Hij wijst schuldigen aan en draagt soms zelfs oplossingen aan, terwijl hij er beter aan zou doen enkel het beeld te schetsen en de beoordeling aan de lezer over te laten. Dat was overtuigender geweest.

Het TBS- en gevangeniswezen beschreven door iemand die de situatie van binnenuit kent, biedt meer mogelijkheden dan in Veroordeeld worden benut. De auteur had beter kunnen kiezen, óf voor de details omtrent zijn relatie met Anita óf voor zijn aanklacht tegen zijn behandeling, Nu wankelt het verhaal op twee manke poten. Als dit verhaal goed was opgeschreven, had het wel eens de genadeklap kunnen zijn voor het TBS-systeem.

Gepubliceerd op 8weekly op 8 januari 2011.

Zo krachtig is de Google code

Aan een handleiding voor Googles zoekmachine heeft niemand behoefte. Dat is voor u even overbodig als een handleiding veters strikken. Althans dat dacht u, tot u dit boek las.

In de New York Times en The Economist werd hij getypeerd als “een reporter en technisch expert, die per ongeluk ondernemer werd.” Met zijn nieuwste boek De Google code heeft internetexpert Henk van Ess een nieuw succesnummer afgeleverd. Het compacte boekje biedt de onderzoekjournalist een zeer leesbaar en nuttig overzicht van zoekmachines en –tips. Het boek is een eigenwijze eyeopener voor menig internetgebruiker.

NIEUW PERSPECTIEF
De auteur gaat eerst in op zoekmachines en neemt vervolgens Google onder de loep, om uiteindelijk uit te komen op waar het uiteindelijk om draait: de Google Code. Deze code is een combinatie van tips en trucs om de beste resultaten uit de zoekmachine te halen. Naast handige woordcodes leert Van Ess de lezer een nieuw perspectief aan. Hij laat hem inzien niet de vraag aan Google te stellen (bijvoorbeeld ‘hoe heet de oudste zoon van Balkenende’), maar te denken zoals de machine doet (bijvoorbeeld ‘*, Balkenendes oudste zoon’). Van Ess beschrijft hoe de mappenstructuur van nieuwswebsites eruitzien en ‘hoe documenten denken’.

GEMISTE KANS
Als handleiding is het boek briljant. De uitleg is zeer helder en voorzien van veel foto’s om de voorbeelden te verduidelijken. Het enige punt waarop de internetdeskundige het een beetje laat liggen is de ethiek. Dit is in principe voor een handleiding niet noodzakelijk, maar aangezien hij wel ingaat op de verstandhouding Google-China is het jammer dat hij niet ook het onderwerp duurzaamheid aanstipt. Een gemiste kans, dit is namelijk een zwakte van Google. Wist u bijvoorbeeld dat een zoekvraag bij Google 7 gram CO2-uitstoot kost? Met dit in het achterhoofd is de auteurs herhaalde uitspraak ‘het is gratis dus probeer het nog eens’ enigszins irritant. Hij had bijvoorbeeld in kunnen gaan op de duurzame zoekmachine Ecosia.

COCAÏNE
Het boek biedt naast handige tips om snel te vinden wat je zoekt fijne overzichten van andersoortige zoekmachines, zoals semantische en menselijke zoekmachines. De Google Code kan het best gelezen worden achter de pc, want u zult regelmatig de links uit willen proberen. Geografische feitjes over cocaïne in Brabant en het verschil tussen Nederland en Duitsland worden haarfijn uiteengezet met Van Ess’ kennis van het web (lees: Google insights en Wolfram|Alpha).

GOUDVIS
Het ‘zo krachtig is de Google code’ van Van Ess kan ietwat arrogant overkomen, maar wat zou het, hij maakt al zijn beloftes waar. Weet u wat ‘Google–site:Google.* -site:Google.*.*’ betekent? Aan het einde van dit boek wel. De Google Code leest als een trein en het principe is heel logisch. Google kan echter niet alles. Toen ik met de code wilde uitvinden hoeveel schubben een goudvis heeft kwam ik er niet uit. Ik wist beter dan ‘hoeveel schubben heeft een goudvis’ in te typen bij Google. Maar het antwoord voorspellen lukte ook niet. Wat ik ook probeerde: ‘a goldfish has about’ en ‘scales’, het had allemaal geen zin. Toen ik ‘een goudvis heeft gemiddeld 1…100000000 schubben’ invulde, liep hij vast. Ach, sommige antwoorden heeft alleen Martin Gaus. 

Verscholen achter een masker van democratie

Malalai Joya – Een vrouw tussen krijgsheren

Een jonge Afghaanse besluit zich in 2003 uit te spreken over de misstanden in haar land. In alle openbaarheid vertelt ze over het Afghaanse gezag, dat volgens haar voor de grote meerderheid bestaat uit oorlogsmisdadigers. De reacties zijn heftig en plotseling is ze haar leven niet meer zeker. In Een vrouw tussen krijgsheren schetst activiste Malalai Joya het ontstaan van Afghanistans schijndemocratie en de buitenlandse inmenging daarin.

Malalai groeit op in vluchtelingenkampen. Vanaf haar vijftiende geeft ze illegaal meisjes– en vrouwenonderwijs. Naarmate de situatie in Afghanistan verslechtert, groeit haar toewijding uit tot politiek activisme. Ze is vijfentwintig als ze op een openbare politieke vergadering een boekje open doet over de criminele achtergrond van de Afghaanse bestuurders. Ze eist berechting van oorlogsmisdadigers die zich met steun van de Amerikanen ‘verschuilen achter een masker van democratie’. De paar minuten spreektijd maken haar in één klap beroemd in binnen– en buitenland.

Vanaf de toespraak wordt Joya met de dood bedreigd. Toch stelt ze zich verkiesbaar voor het Afghaanse parlement. Tegen alle – inclusief haar eigen – verwachtingen in wordt ze verkozen. Maar democratische schijn bedriegt: haar microfoon wordt uitgezet als ze tracht te spreken en uiteindelijk wordt ze geschorst. Internationale steunbetuigingen mogen niet baten, tot op de dag van vandaag is haar de mond gesnoerd.

Amerikaanse hypocrisie

In deze autobiografie beargumenteert Joya dat de buitenlandse inmenging door de geschiedenis het proces van democratisering in Afghanistan heeft belemmerd. Omdat het land al zo lang in oorlog is, zijn er telkens andere groeperingen door buitenlandse steun aan de macht gekomen en kon zich nooit een burgerbeweging of intellectuele elite ontwikkelen. Afghanen zijn niet zo achterlijk als ze worden afgeschilderd in de Westerse media, aldus de schrijfster. Dit ‘achterlijke’ beeld verstevigt enkel de macht van de fundamentalistische krijgsheren. Hoewel corruptie en armoede toeneemt, is er ondertussen van internationale berechting van oorlogsmisdadigers geen sprake.

De manier waarop ze zelf behandeld wordt is een goed voorbeeld van een tegenstelling in het democratiseringsbeleid van de VS. Hoewel toch democratisch gekozen, krijgt Joya geen bescherming en wordt ze zonder pardon uit het parlement gezet omdat ze kritiek uit op andere politici. De vraag rijst waarom NAVO–officials niets ondernemen tegen deze ondemocratische manier van doen.

‘Ieder compromis is zwakheid’

Het doorzettingsvermogen van de vrouwenrechtenactiviste vormt de rode draad in het verhaal. Ze weigert het land te verlaten en verzet zich tegen NGO’s en de VN die willen dat ze haar toon verzacht. Zelf beschrijft ze haar hardnekkig doorzetten als de reden voor haar ‘succes’. Want ‘degenen die alleen de taal van het geweer kennen, beschouwen ieder compromis als zwakheid’. Dit zelfde argument gaat volgens Joya op voor de Afghaanse bevolking:

‘Veel, heel veel mensen, onder wie zelfs enkele van mijn collega’s in het parlement, hebben me benaderd om te bekennen dat ze me heimelijk steunen, maar dat ze dat niet in het openbaar konden doen. Deze vorm van steun is in principe zinloos. Daarom heb ik herhaaldelijk gezegd dat het zwijgen van goede mensen erger is dan de daden van slechte mensen.’

‘Toen dit, toen dat’

Joya haalt de Washington Post en rapporten van Amnesty aan om haar verhaal kracht bij te zetten. De opsommingen van personen met een ‘fout’ verleden zijn ontzaglijk en de persoonlijke verhalen van verkrachting en moord gruwelijk. De felheid van de schrijfster kan af en toe ook als ongenuanceerd ervaren worden – bijvoorbeeld de passage dat ze beargumenteert dat Bush een schoen naar zijn hoofd zou moeten krijgen – maar versterkt ook haar menselijke kant.

Een vrouw tussen krijgsheren is een autobiografie die opvalt vanwege de inhoud en minder vanwege de leesbaarheid. De stijl heeft een hoog ‘en toen dit en toen dat’–gehalte. Toch is het de vraag of de gebrekkige journalistieke vaardigheden haar politiek statement teniet doen. Zoals ze zelf schrijft, strijdt Joya ervoor ‘om de wereld op de hoogte te stellen van de waarheid over Afghanistan en dat doet ze met hartstocht. Vanuit een land waar de helft van het geld voor ontwikkelingshulp wordt betaald aan steekpenningen en ’s werelds hoogste babysterfte heerst, komt de boodschap toch hard aan.

Gepubliceerd op 19 maart op http://www.8weekly.nl

Leve de gemeentegeuzen!

Bert Euser – Lokale leiders. De opkomst van de geuzendemocratie

Lokale politiek is niet sexy. Durf jij in het openbaar te zeggen dat je dorpspartij Algemeen Belang Zwijndrecht steunt? Geen nood. Bert Euser verbreekt het cliché in zijn debuut Lokale leiders.

Nederlandse politiek lijdt onder individualisering en populisten zoals Geert Wilders profiteren hiervan. De kranten staan er vol mee. En de intellectuelen mopperen. Maar klopt die bewering eigenlijk wel? Bert Euser zegt van niet. Want sinds 2002 waren er nooit zo veel nieuwe politiek geëngageerden in Nederland. Waar dan? In de gemeentes.

Er zijn nauwelijks nog gemeentes waar geen lokale partij opereert. In ongeveer honderd gemeentes zijn deze zelfs de grootste. Dit politiek fenomeen is tot nu toe echter zelden geanalyseerd. Tot Bert Euser kwam en ons een belangrijke les leerde in politieke vernieuwing.

Euser, zelf oprichter van gemeentepartij Echt Voor Albrandswaard, weet zelf ook dat wat hij vertelt niet sexy is:

‘Het is geen geheim dat de gevestigde landelijke partijen de lokale ‘sufferdjes’ niet serieus nemen. En zij niet alleen: bij de mededeling dat ik in een lokale partij actief ben, ontmoet ik vaak meewarige blikken. Zoiets als de reactie op een volwassen man die vertelt dat hij thuis bezig is met treintjes of modelvliegtuigjes.’

Wapen tegen populisme
De nieuwe lokale partijen worden gedragen door een beweging van burgers die zich tot nu toe niet met politiek bezig hielden. Niet de sociale middenklasse, maar juist uit de kringen van ondernemers en het hoge kader van het bedrijfsleven. Hun aanpak is volgens Euser ‘uitdrukkelijk niet populistisch’. De oprichters zijn meestal op leeftijd en willen niet in het middelpunt staan of vaak niet eens besturen. Ze zetten participatie van de burger duidelijk centraal.

Euser schetst de opkomst van die lokale partijen aan de hand van een voorbeeld: gemeente X bouwt een nieuw gemeentehuis en er onstaat ontevredenheid. Er wordt niet geluisterd naar de burger en/of er onstaat een gat in de begroting. Aangezien het project zo prestigieus is –  burgemeester Y hoopt vermelding op de voorgevel – beslist het College dat de bouw toch door moet gaan. De protestgroep politiseert zich, et voila: Algemeen Belang Zwijndrecht is geboren.

Het lijkt allemaal wat kort door de bocht, maar op het moment dat je ‘gemeentehuis’ voor ‘Noord–zuidlijn’ vervangt, begint het de meeste mensen toch wel te dagen. En de geuzen staan sterk. Ze slaan hun handen slim samen met plaatselijke verenigingen en gaan de straat op. Ze beloven betere communicatie, meer doorzichtigheid en bovenal meer ‘leefbaar’ en ‘groen’. De lokale VVD’ers, PvdA’ers en CDA’ers staan machteloos. Zij moeten bevelen afwachten vanuit Den Haag.

Doe het zelf
In dit boek geeft Bert Euser een goed inzicht in het onstaan van en de mensen achter lokale partijen. Ook verschaft hij enthousiast geraakte lezers tips om zelf een partij beginnen. Met de opkomende gemeenteverkiezingen is dit boek een must voor iedere zichzelf serieus nemende campagneleider. Of Euser met dit boek zwevende kiezers massaal kan laten landen, blijft voorlopig een vraagteken. We leven wat dat betreft altijd nog in een verzuilde samenleving. Op een verjaardag openlijk steun betuigen aan Algemeen Belang Zwijndrecht blijft voorlopig onsexy.

Gepubliceerd op 7 november 2009 op www.8weekly.nl

Chinese monstermeisjes

Leslie T. Chang (vert. Albert Witteveen) – Fabrieksmeisjes

Schijfster Leslie T. Chang volgt in Fabrieksmeisjes twee meisjes die hun droom najagen in de industriële monstersteden van China. Hiervoor gaan ze erg ver. De meedogenloze kapitalistische mentaliteit verandert de meisjes in carrièrebeluste marketingmonsters voor wie geen risico te groot is.

Fabrieksmeisjes
behandelt een onbekend hoofdstuk uit de recente Chinese geschiedenis. De hedendaagse migratie naar fabriekssteden is de grootste ter wereld, ze overtreft zelfs de totale migratie van Europeanen naar de VS. Het is een proces dat eeuwenoude Chinese tradities doorbreekt en het leven van miljoenen Chinezen beïnvloedt.

Kapitaaljagers

In dit boek wordt het leven van Chinese vrouwen in fabriekssteden weergegeven. Als dochters van plattelandsouders hebben de jonge vrouwen geen huis tot zij getrouwd zijn en zijn hierdoor vrij om zich te ontplooien. De meisjes verlaten in hun tienerjaren de boerderij om in de stad te verdwijnen als klein kwetsbaar radertje in de reuzenmachine genaamd ‘Made in China’. Het contrast met het plattelandsleven is groot. De hoofdpersonen in het boek ontplooien zich als ware kapitaaljagers:

Mijn verwanten vertelden niet graag hun eigen verhaal. Ze begonnen meestal met te benadrukken dat ze niets te vertellen hadden. (…) De jonge vrouwen in de fabriekssteden van het zuiden dachten hier heel anders over. In een grote stad die geen hinder van het verleden had, leefde, vertelde en schreef iedereen zijn eigen verhaal; te midden van deze miljoenen afzonderlijke worstelingen schoot het individualisme wortel.

American Dream

Aangekomen in de grote stad leren de migrantenmeisjes snel dat ze enkel op zichzelf kunnen vertrouwen. Schrijfster Chang gaat met finesse in op de nieuwe waarden van individualiteit en zelfontplooiing waaraan de meisjes worden blootgesteld. De hoofdpersonen duiken op self-marketingcursussen en piramidespelen alsof hun leven ervan afhangt. En dat is ook zo. Hun obsessieve jacht op succes is de Chinese reïncarnatie van de American Dream.

De Chinese droom is corrupter en meedogenlozer dan de Amerikaanse. De meisjes zijn hiervan het beangstigende bewijs. Een dappere spruit van het platteland verandert in een mum van tijd in een kapitalistische bloedzuiger. Zo ook de twintigjarige Chinming. Eenmaal aangeraakt door de industrialisatie telt voor haar vriendschap enkel zolang ze ervan kan profiteren. Geld verdienen wordt haar hoogste doel: ‘In de zomer van 1996 schreef Chunming in haar dagboek: Vrienden we zijn arm ter wereld gekomen zonder dat we daar schuld aan hadden. Maar arm sterven is een zonde.’

Darwinistische monsters

Voor de meisje is hun carrière hun leven. De zelfkastijding die ze met miljoenen ondergaan in de fabrieken is verbluffend. De concurrentie is moordend en de enige weg die er is leidt omhoog. Schrijfster Leslie T. Chang verbaast zich over de risico’s die de meisjes nemen in hun carrièrejacht. De manier waarop Chang overlevingsdrift van de meisjes beschrijft is indringend realistisch. De schrijfster geeft je het gevoel alsof de meisjes vooruitgang in- en uitademen.

Eigenlijk zou de gruwelijke mentaliteit van de meisjes hen voor de lezers moeten veranderen in monsters. Dat dit niet gebeurt, is te danken aan de liefdevolle pen van journaliste Leslie T. Chang. Als de journaliste haar familiegeschiedenis beschrijft, begrijp je dat haar enthousiasme voor migranten voortkomt uit een eeuwenoude familietraditie.

Op een lezer zonder Chinese familie werkt de fascinatie voor het eenzame bestaan van de kwetsbare schepsels en hun kuren aanstekelijk. Survival of the fittest in haar brutaalste vorm vind je in het industriële China. Fabrieksmeisjes boeit tot de laatste zin.

Gepubliceerd 10 augustus 2009 op http://www.8weekly.com

Loedertje Rusland

Marc Dugain – Een ordinaire terechtstelling

Rusland fascineert. Een land waar alcoholisme doodsoorzaak nummer één is en waarvan niemand weet of je haar leider een dictator kunt noemen, moet wel tot de verbeelding spreken. Marc Dugain schreef in zijn ijzingwekkende roman Een ordinaire terechtstelling over de atoomonderzeeërramp, waarbij 118 mannen de dood vonden.

De ramp verbijsterde in 2000 de hele wereld. De twintig stuks bemanning in het achterste gedeelte van de Koersk hadden kunnen worden gered. Amerikaanse schepen boden hulp aan, maar het Kremlin ging er niet op in. Een fout van de marine? De familie van de slachtoffers werd later met een flinke geldsom stilte opgelegd. Uitleg is tot op de dag van vandaag niet gegeven.

Als een van de vaders die zijn zoon heeft verloren in de onderzeeërramp, wordt Pavel Sergejevitsj gedwongen te verhuizen naar een nouveau riche-appartement in St. Petersburg. Zijn vrouw, die aan een kortetermijngeheugenstoornis lijdt, weet niet meer dat hun zoon is overleden, maar wel dat ze van haar man wilde scheiden.

Corruptie en kapotte wc’s

Vanwege haar toestand kan het echtpaar onmogelijk weg uit hun armzalige flatje aan de Barentszzee. Pavel wordt meegezogen in de moedeloosheid van corrupte functionarissen, schoonmoeders en kapotte wc’s. Dan krijgt hij de kans een Franse journalist te helpen in zijn zoektocht naar de waarheid omtrent de ramp.

Wat de roman zo speciaal maakt, is het perspectief. Naast Pavel komen ook diens moeder, Stalin, Poetin, enkele KGB-officieren en Pavels zoon aan het woord. Aan de hand van verhalen van bekende en niet bekende Russen, wordt er toegewerkt naar een verbijsteringwekkende ontknoping.

Ik ben Stalin maar

De geschiedenis heeft zijn littekens achtergelaten op het huidige Rusland. Corruptie en paranoia zijn de cultuur verankerd geraakt, dit maakt Pavel ook duidelijk wanneer hij vertelt hoe zijn moeder ooit plotseling voor Stalin kwam te staan. Huiverend van angst vroeg ze de grote dictator toen waarom haar man was gearresteerd. Hij antwoordde  schouderophalend ‘Ik ben Stalin maar. Wat kan ik doen?’.

Van Stalin is bekend dat hij tijdens diners gehaktballen naar zijn minister Molotov gooide om de aanwezige kinderen aan het lachen te maken. Deportatie van hun vader de volgende dag volgde met hetzelfde gemak. Niets is onvoorspelbaarder dan een paranoïde gek.

De beschrijvingen van Poetin in het boek geven je hetzelfde gevoel. De president krijgt een gezicht als de auteur beschrijft hoe hij ploeterend overeind probeert te blijven als KGB-agent in de DDR. Wanneer hij later president is, hangt deze KGB-zweem nog over hem heen:

‘Geen van beiden durft iets te vragen. Hoewel ze nauw met de president samenwerken, hebben ze geen persoonlijke band met hem. Hoe zouden ze die trouwens ook kunnen hebben als hij die niet eens met zichzelf heeft? (…) Hij is een machthebber. Dat betekent dat hij met de meeste mensen rekeningen te vereffenen heeft. Hij denkt zowel na over de zaak zelf als over de manier waarop hij er met zijn adviseurs over moet spreken. Ze mogen geen moment denken dat hij hun advies vraagt over het belangrijkste.’

KGB-paranoia

Dit boek heeft grote potentie. De politieke vaders van moedertje Rusland worden gruwelijk neergezet in beschrijvingen van hun dagelijks politiek handelen. De consequenties van deze politiek zijn voor het volk dat leeft met corruptie en KGB-paranoia. Dugain heeft het  subliem verwoord in het verhaal van Pavel Sergejevitsj.

Een vriend vertelde me eens dat je de grootste kans hebt vermoord te worden op eerste kerstdag door een direct familielid. Precies het gevoel dat je bij dit boek krijgt. Wat is het? Fobie, fascinatie of acute depressie, het is heerlijk.

Gepubliceerd 25 juni 2009 op http://www.8weekly.nl

‘The First shaggable prime minister’

Saskia Profijt – De gunsteling

Saskia Profijt heeft in De gunsteling een zestiende-eeuws liefdesdrama aan de hedenaagse politiek gekoppeld. In de vroegmoderne tijd stuurde Queen Elisabeth de Graaf van Essex – volgens historisch onderzoek haar minnaar – naar Noord-Ierland om de boel op orde te brengen. Toen Essex onverhoopt vrede sloot met de Ieren nam Elisabeth een drastische beslissing. Ze liet haar geliefde executeren wegens landverraad.

De koningin uit de zestiende eeuw heeft in deze met machtspolitiek bolstaande roman de positie ingenomen van (voormalig) Brits premier Tony Blair. De in 1999 met veel furore aan de macht gekomen ‘first shaggable prime minister’ Elisabeth Tudor is zich ervan bewust dat haar vrouwelijkheid een obstakel in haar politieke loopbaan kan zijn:

‘Men concentreert zich nog te veel op het feit dat ze anders is, dat ze er anders uitziet, dat ze met haar nauwzittende blouses, stilettohakken en strakke rokken meer lijkt thuis te horen achter een café-au-lait op een terras in Parijs, dan achter het spreekgestoelte in  the House of Commons tijdens het wekelijkse vragenuurtje. (…) Ze zal de teugels stevig in handen moeten houden. Maar zonder haar minister te overvleugelen. Men zal háár er niet van kunnen beschuldigen dat ze dictatoriaal is.’

Dit voornemen keert zich tegen haar als ze voor de charmes van de twintig jaar jongere Lord Essex valt. Deze jonge hond interesseert zich niet voor politiek, enkele voor militaire aangelegenheden. Met behulp van haar geniale media-adviseur wordt de affaire aan het publiek gepresenteerd. Robert Essex blijkt een mediatalent. Hoe meer hij in de spotlights komt te staan, des te meer zijn politiek incorrecte houding Elisabeth in verlegenheid brengt. Beiden raken ernstig in het liefdes- en machtsspel verstrikt als Elisabeth de desastreuse beslissing neemt Robert als generaal naar Afganistan te sturen.

Pijnlijk

Elisabeth is overtuigend neergezet, maar haar media-adviseur Gwyn is het beste personage van de roman. De onsympathieke spil in het web van de premier runt naast de campagne en het imago van de regering ook nog een gezin met twee dochters. Als zijn jongste dochter Mette stopt met eten verliest hij langzaam de grip op zijn privéleven. Een pijnlijke confrontatie is het moment dat de vader zijn dochter probeert te dwingen een visstick te eten:

‘Ik had ook liever wat anders gedaan op zaterdagavond. EET DIT OP NU. Godverdomme.’ Gwyn gromt en staat op het punt de visstick in Mettes gezicht te drukken wanneer hij met uiterste krachtinspanning zichzelf herneemt en in plaats daarvan de vork met de visstick door de keuken gooit. Dan wordt het stil. Mette zegt niets. (…) ‘Ga maar naar bed,’ zegt Gwyn schor. ‘Als je dood wilt, moet je het zelf maar weten.’

Profijt stelde in een interview: ‘Wij proberen mensen te veranderen door hen zodanig te dwingen te voldoen aan een bepaald beeld hoe wij denken dat een mens zou moeten zijn.’ Om deze macht draait het in De gunsteling. Door de manier waarop Elisabeth haar gezag forceert ten overstaan van haar ministers, schoonzus en geliefde, wordt ze langzaam diegene die ze niet wilde zijn. ‘Dit dwingende roept bij mensen verzet op en in deze strijd kun je vast komen te zitten’, zegt de schrijfster. Het is precies dit wat haar roman zo aangrijpend maakt.

Gepubliceerd 29 januari 2009 op http://www.8weekly.com

Een filosofische rups

Alberto Manguel – Stad van woorden

De Argentijnse literatuurfilosoof Alberto Manguel beschrijft in Stad van woorden de problematiek van het samenleven aan de hand van analogieën in de literatuur en mythologie. Dat is zo ingewikkeld als het klinkt.

Vreemdelingenhaat en integratieproblematiek gaan eeuwen terug. Volgens Manguel zijn er veel parallellen te vinden tussen uitspraken van Gordon Brown als minister van Financiën en het Gilgamesjepos. Dit epos over koning Gilgamesj – tweederde god en eenderde mens – zijn beste vriend de wilde Endekoe – tweederde dier, eenderde mens – gaat niet alleen over de zielsverwante vriendschap tussen die twee, maar eigenlijk – zo beredeneert Manguel – over de stad Oeroek waarin zij beiden wonen.

Britsheid

Deze stad, als samenleving, definieert zichzelf volgens Manguel met wetgeving over wat er in hoort en wat niet. De wilde Endekoe moet afstand doen van zijn identiteit (assimileren) of voor altijd ‘de ander’ blijven (wegblijven). Want versmelting van de vreemdeling in de samenleving is dodelijk voor de stad Oeroek. Manguel verbindt deze filosofie met de opvatting van Brown dat scholen het idee van ‘Britsheid’ moesten gaan uitdragen en voorstaan. Hiermee wilde hij, volgens Manguel, voorkomen dat het islamitische perspectief deel ging uitmaken van deze ‘Britsheid’.

Brown had beter kunnen luisteren naar een andere wijze, Eratosthenes van Cyrene, betoogt Manguel verder. Eratosthenes raadde de Grieken driehonderd jaar voor Christus aan niet Alexander de Grotes raad op te volgen en de vaderlandse Grieken als vrienden te behandelen en de barbaren als vijanden, maar zich te baseren op criteria van rechtschapenheid.

Alice

Het redeneringschema van Manguel doet af en toe wenkbrauwen fronsen. Manguel veroordeelt Brown over zijn beleid van uitsluiting van het vreemde in zijn begrip ‘Britsheid’. De filosoof vergelijkt Oeroeks wetgeving succesvol met die van het moderne Engeland en leert Brown een wijze les door hem te confroneren met Erathenes’ leer. Om vervolgens echter deze wijze les weer in te trekken en alles om te draaien.

Van Gilgamesj zou Brown namelijk ook kunnen leren dat met betrekking tot een individu iets ander geldt: ‘De identiteit van de stad, gedefinieerd als zij wordt door haar wetten, is mede gebaseerd op vorm van uitbanning of uitsluiting. De individuele identiteit vereist het tegenovergestelde: een aanhoudende poging, niet tot uitsluiten maar tot insluiten – zo leert Gilgamesj dat je, om jezelf te leren kennen, niet alleen jezelf nodig hebt, maar ook de ander.’

Redeneringen als deze vloeien in elkaar over met een soepelheid die de schrijver siert, maar de lezer menigmaal tot waanzin drijft. Manguel verbindt de rups van Alice in Wonderland moeiteloos met Stanley Kubrick en Jack London als het aankomt op de vraag naar identiteit en de rol van taal. De kinderlijk nieuwsgierige vraag ‘wie ben jij?’ die de rups in Alice in Wonderland stelt, weet Manguel zonder enige verdere uitleg voor te stellen als een filosofische vraag die ‘vandaag de dag in ons caleidoscopische universum zo precair is, dat hij bijna betekenisloos is geworden’.

Manguel beschrijft hoe samenlevingen zichzelf definieren aan de hand van literatuur en mythen. Stad van woorden geeft argumenten, bevat rode lijnen, echter een moment van verlichting bij de lezer blijft uit. Dit is ook niet wat de filosoof wil bereiken, hij heeft in het boek ‘enkel zijn gedachten gebundeld’. Zoals Manguel het zelf beschrijft: het gaat niet om het geven van antwoorden, maar om het scherper formuleren van de vragen.

Gepubliceerd 17 januari 2009 op http://www.8weekly.com